logo

Hoger opleidingsniveau migranten leidt amper tot betere arbeidsmarktpositie

15 december 2016

Onderzoek naar de integratie van migranten op acht terreinen.

Wat zijn de ontwikkelingen in integratie? Het rapport Integratie in zicht? levert een spanningsvol beeld op. Aan de ene kant is sprake van een stijgend opleidingsniveau, verbeterde onderwijsprestaties en een betere beheersing van de Nederlandse taal onder de onderzochte migrantengroepen. Aan de andere kant is er sprake van een blijvend grote (kansen)achterstand op de arbeidsmarkt en een stijgend onbehagen van migranten over hun leven en mogelijkheden in dit land. De verwachting dat met de wisseling van de generaties de integratie versnelt, komt maar ten dele uit. De tweede generatie is de motor achter het gestegen opleidingsniveau en de verbeterde taalbeheersing, maar de kansengelijkheid op de arbeidsmarkt is de afgelopen 15 jaar niet wezenlijk veranderd. Betere hulpbronnen in de vorm van Nederlandse taalbeheersing en hogere opleidingsniveaus zijn kennelijk niet voldoende.

Dit zijn belangrijke conclusies uit de publicatie Integratie in zicht?. Het rapport geeft een beeld van de positie en ontwikkeling van niet-westerse migranten op acht verschillende integratieterreinen: taal, onderwijs, werk, wonen en wijken, beeldvorming, criminaliteit, participatie en de sociaal-culturele positie. De studie gaat vooral over de grootste vier niet-westerse migrantengroepen: Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders en over de groep ‘overig niet-westers’. Het onderzoek richt zich op het beschrijven en verklaren van verschillen tussen groepen. Er wordt ook ingezoomd op de tweede generatie: personen die in Nederland zijn geboren, maar waarvan (tenminste één van) de ouders niet in Nederland is geboren.

Taal en onderwijs: achterstanden kleiner

De Nederlandse taalbeheersing is binnen de Turks- en Marokkaans-Nederlandse groep gestaag toegenomen. Turkse Nederlanders hebben het vaakst moeite met de Nederlandse taal en binnen hun huishoudens wordt ook het minst Nederlands gesproken. Minder dan de helft (43%) spreekt vaak of altijd Nederlands met hun kinderen.

In het basisonderwijs lopen niet-westerse leerlingen zowel bij begrijpend lezen als rekenen hun achterstand op autochtone Nederlandse leerlingen in, maar er is nog wel verschil. Die achterstandspositie kan grotendeels worden toegeschreven aan verschillen in het opleidingsniveau van de ouders.

Het beeld van achterstand én vooruitgang zien we ook in het voortgezet onderwijs. Niet-westerse leerlingen zitten nog altijd veel vaker in de lagere vmbo-leerwegen en het praktijkonderwijs. Wel is het aandeel leerlingen uit migrantengroepen in hogere niveaus van het voortgezet onderwijs in de afgelopen jaren toegenomen. Gunstig is de daling van het voortijdig schoolverlaten in het voortgezet onderwijs bij zowel niet-westerse als autochtone leerlingen. Ook in het mbo is sprake van een daling van het voortijdig schoolverlaten, maar hier zijn de verschillen tussen jongeren met een niet-westerse achtergrond en autochtone Nederlanders nog steeds fors.

In zijn geheel stijgt het opleidingsniveau van migranten. Toch heeft ongeveer een derde van de Turks- en Marokkaans-Nederlandse bevolking tussen 15-65 jaar alleen basisonderwijs gevolgd (tegen 6% van de autochtoon Nederlandse bevolking). De tweede generatie is beduidend hoger opgeleid dan de eerste. Rekening houdend met verschillen in onder meer het sociale herkomstmilieu, is er tussen migranten van de tweede generatie en autochtone Nederlanders weinig verschil in opleidingsniveau.

Hoge werkloosheid, achterstand blijft groot

De werkloosheid is onder niet-westerse migranten bijna drie keer zo hoog als onder autochtone Nederlanders (15,2% tegenover 5,6%). Toegenomen inkomensverschillen zijn hiervan het gevolg. De zwakke arbeidsmarktpositie van migranten komt ook tot uiting in het hoge aandeel flexibele banen (37% versus 24% bij autochtone Nederlanders). Leden van migrantengroepen hebben hun arbeidsmarktpositie ten opzichte van autochtone Nederlanders sinds het begin van deze eeuw niet systematisch verbeterd.

Ongeveer de helft van het verschil in werkloosheid tussen migranten en autochtone Nederlanders heeft te maken met verschillen in kenmerken zoals opleiding, leeftijd en werkervaring. Bij economische tegenwind is de ongelijkheid in kansen tussen autochtone Nederlanders en migranten groter. Werkgevers hebben bij een groot aanbod van werknemers meer te kiezen, waardoor zelfs kleine sociale of culturele verschillen de doorslag kunnen geven om iemand wel of niet aan te nemen. Herkomst telt dan zwaarder mee: werknemers die niet passen binnen het ‘ideale’ profiel komen dan maar moeilijk aan de slag.

Positieve ontwikkelingen zijn de toegenomen participatie van Turks- en Marokkaans-Nederlandse vrouwen en een groter wordende middenklasse onder migranten. Het beroepsniveau van werkende migranten stijgt. Inmiddels heeft bijna een kwart (23%) van die tweede generatie niet-westerse migranten een baan op het hoogste niveau, dit aandeel was begin deze eeuw nog 15%. Hoewel de Turks- en Marokkaans-Nederlandse werkenden nog steeds vaak zijn te vinden in de lagere banen, ontstaat er ook een middenklasse onder de migrantengroepen.

Wonen en wijken: vaker koopwoning en meer spreiding

Bij niet-westerse migranten is het eigenwoningbezit sinds begin deze eeuw harder gegroeid (van 24 naar 39%) dan bij autochtone Nederlanders (van 64 naar 70%). Bij de Turks-Nederlandse groep is het eigenwoningbezit verdubbeld, van 23 naar 46%. Hiermee hebben zij met de Surinaamse Nederlanders het vaakst een koopwoning. Ook bij Marokkaanse Nederlanders verdubbelde het woningbezit (van 10 naar 19%), maar is het nog steeds laag. Zij wonen ook vaak het meest krap van alle onderzochte groepen en hebben de minste kamers per persoon. De tweede generatie migranten koopt vaker een huis dan de eerste, behalve bij de Surinaamse Nederlanders.

Criminaliteit: dalende verdachtencijfers, maar nog steeds hoog

De verdachtencijfers dalen bij zowel de migrantengroepen als autochtone Nederlanders. Het verschil met autochtone Nederlanders is absoluut gezien minder groot geworden. Toch geldt voor alle onderzochte jaren dat niet-westerse migranten ongeveer 4 keer zo vaak (2,7%) verdacht zijn van een misdrijf dan autochtone Nederlanders (0,7%). Het zijn vooral de jonge mannen en Antilliaans- en Marokkaans-Nederlandse jonge mannen in het bijzonder (respectievelijk 9,8% en 15,3%, autochtone jonge mannen: 2,8%). Van de 30-jarige niet-westerse migranten is ruim een derde (37%) ooit verdacht geweest van een misdrijf. Tussen migrantengroepen verschilt dit percentage, van 29% bij de overig niet-westerse migranten tot 47% bij de Marokkaanse Nederlanders. Bij autochtone Nederlanders uit deze categorie is dit bijna een vijfde (18%).

Overig niet-westerse migranten en Turkse Nederlanders verschillen niet in crimineel gedrag van autochtone Nederlanders als rekening wordt gehouden met factoren als opleiding, uitkeringsafhankelijkheid, leeftijd en woonomgeving.

Bij Marokkaanse en vooral Antilliaanse Nederlanders zijn de verschillen in criminaliteit minder goed te verklaren op basis van deze factoren. Ook geldt dat voor de tweede generatie en voor jongeren de verschillen in verdachtencijfers minder goed zijn te verklaren dan voor de eerste generatie en ouderen. Tegelijkertijd is in de loop van de tijd de kans om verdacht te zijn steeds meer in de buurt gekomen van autochtone Nederlanders met dezelfde kenmerken.

Participatie en sociaal vertrouwen: lager dan bij autochtone Nederlanders

Over het geheel genomen is de maatschappelijke en politieke participatie van niet-westerse migranten lager dan bij autochtonen: migranten zijn minder vaak lid van verenigingen, doen minder vaak vrijwilligerswerk, verlenen minder informele hulp en stemmen minder vaak. De maatschappelijke participatie is bij de tweede generatie hoger dan bij de eerste. Leden van migrantengroepen hebben gemiddeld gesproken minder vertrouwen in de medemens dan autochtone Nederlanders. Van de autochtone Nederlanders vindt bijna twee derde dat de meeste mensen over het algemeen wel te vertrouwen zijn. Bij de migrantengroepen varieert dit deel van 35% bij de Turkse Nederlanders tot 44% bij de Marokkaanse Nederlanders.

Ook hebben leden van deze vier migrantengroepen minder vertrouwen in de politie en in de regering dan autochtone Nederlanders. Het vertrouwen in justitie is echter betrekkelijk hoog.

Sociaal-culturele positie: hybride identificatie, iets modernere opvattingen

De gerichtheid op de herkomstgroep blijft groot bij personen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Jonge en tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders identificeren zich sterk met de herkomstgroep en gaan in de vrije tijd vaak om met leden van de herkomstgroep. Tegelijkertijd identificeert een aanzienlijke groep zich ook als Nederlander en maken autochtone Nederlanders deel uit van hun sociale netwerk, al lijken meer persoonlijke contacten nog steeds overwegend personen van de herkomstgroep te zijn.

Gemiddeld genomen zijn de opvattingen over de rollen van mannen en vrouwen in de afgelopen 25 jaar bij de Turkse en Marokkaanse Nederlanders wat moderner geworden, maar ze zijn nog wel traditioneler dan de opvattingen onder autochtone Nederlanders. Met homoseksualiteit hebben Turkse en Marokkaanse Nederlanders vooral problemen als die dichtbij komt (eigen kind is homoseksueel). In de afgelopen vijf jaar zijn de opvattingen over homoseksualiteit bij de hier onderzochte migrantengroepen licht positiever geworden.

Beeldvorming: ervaren maatschappelijk klimaat

Niet-westerse groepen zijn negatiever geworden over het maatschappelijk klimaat en ervaren zelf in grotere mate discriminatie. Van de Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders voelt slechts 60% zich thuis. Dit aandeel is tussen 2006 en 2015 afgenomen.

Veel autochtone Nederlanders maken zich zorgen over immigratie en integratie en een substantieel deel van hen heeft weerstand ten aanzien van de multiculturele samenleving. Tegelijkertijd zijn de afgelopen 10 jaar de houdingen van autochtone Nederlanders ten opzichte van migranten niet negatiever geworden. Er is nog steeds een behoorlijke steun voor culturele diversiteit (70%). Het percentage autochtone Nederlanders dat vindt dat er teveel mensen van een andere nationaliteit in Nederland wonen, is sinds de millenniumwisseling gestaag gedaald, en de opvattingen over gemengde vriendschappen en huwelijken zijn de laatste jaren niet negatiever geworden.

Home / Nieuws / Hoger opleidingsniveau migranten leidt amper tot betere arbeidsmarktpositie

Menu