Verschenen: Dorpsleven tussen stad en land. Slotpublicatie Sociale Staat van het Platteland.
Dit zijn enkele conclusies uit de publicatie ‘Dorpsleven tussen stad en land. Slotpublicatie Sociale Staat van het Platteland’. Deze verschijnt op 30 maart bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en werd geschreven door Anja Steenbekkers, Lotte Vermeij en Pepijn van Houwelingen.
Op basis van statistische bronnen schetst het rapport een beeld van het dorpsleven van de vijf miljoen Nederlanders die wonen op het platteland en van veranderingen in de dorpen sinds grofweg de millenniumwisseling. Het rapport zoomt in op verschillen tussen typen dorpen. Dit gebeurt aan de hand van een beperkt aantal demografische, sociaaleconomische en sociaal-culturele indicatoren. Ook gaat het rapport in op de ervaren leefbaarheid, sociale samenhang en de inzetbereidheid van bewoners van kleine dorpen.
De publicatie bestaat uit twee delen. De rode draad in het eerste deel is het verschil tussen vier dorpstypen, grote of kleine dorpen die ofwel dichtbij de stad of meer afgelegen liggen. Het meest landelijke dorpstype is de categorie ‘kleine afgelegen dorpen’ (inclusief de buitengebieden), het minst landelijk de categorie ‘grote dorpen bij de stad’. In het tweede deel focussen we op kleine dorpen (tot ongeveer 5000 inwoners) en hun ligging in een krimpregio of daarbuiten.
Terwijl de plattelandsbevolking is gekrompen (1,5% sinds 2010), groeide de stedelijke bevolking deze periode (1,7%). Ook qua leeftijdssamenstelling nemen verschillen toe: de ontgroening (afname van het aandeel kinderen en het aandeel jongvolwassenen van 19-34 jaar) en vergrijzing (toename van het aandeel 65-plussers) gaan sneller op het platteland dan in de stad. Het verschil tussen stad en platteland qua etnische samenstelling wordt in de loop van de tijd steeds groter. Met name het verschil in het aandeel niet-westerse migranten (in 2014 16% in stad en 2% in dorpen) groeit.
De kleinste en meest afgelegen dorpen kampen het meest met bevolkingskrimp, de grote dorpen bij de stad groeien nog enigszins. Sinds 2010 is de bevolking van de kleine afgelegen dorpen het meest afgenomen (ruim 3%); bij de grote afgelegen dorpen en kleine dorpen bij de stad is de afname beperkt (1%). De grote dorpen vergrijzen iets sneller dan de kleine dorpen. In alle dorpstypen stagneert de ontgroening; het aandeel jongvolwassenen (20-34 jaar) blijft circa 15%.
In afgelegen dorpen hebben bewoners een lager opleidings- en beroepsniveau en een lager besteedbaar inkomen dan in dorpen bij de stad. Hoewel meer bewoners er werkzaam zijn, zijn bewoners van afgelegen dorpen toch vaker arm. Deze verschillen bestaan al langer. We zien geen systematische toename in verschillen, met uitzondering van de sociale status. We kunnen dus concluderen dat contrasten tussen dorpen bij de stad en afgelegen dorpen niet zijn toegenomen.
We zien geen verschil tussen bewoners van verschillende dorpstypen in de wijze waarop hun houding ten opzichte van migranten zich ontwikkelt. Het vertrouwen in de politiek nam af, maar dat gebeurde overal. Ook in sociaal-cultureel opzicht zagen we geen consequent toenemende contrasten. Het enige teken van sociaal-cultureel verschil is dat het kerkbezoek vooral in de grote dorpen verder lijkt af te nemen, terwijl dat in de kleine afgelegen dorpen constant blijft.
Het aantal dorpsvoorzieningen neemt sneller af in de kleine dorpen in krimpregio’s dan in niet-krimpregio’s. In de dorpen in krimpregio’s bij de stad verdwenen vooral levensmiddelenwinkels, zoals bakkers en slagers. De afgelegen dorpen in krimpregio’s verloren relatief vaak hun laatste basisschool, supermarkt of een andere levensmiddelenwinkel.
In sociaaleconomisch opzicht laten de kleine afgelegen dorpen in krimpregio’s over de hele linie een achterstand zien ten opzichte van andere kleine dorpen: de werkloosheid is er relatief hoog, het opleidings-, beroeps- en inkomensniveau zijn er relatief laag en armoede komt er relatief vaak voor. De trends wijzen niet eenduidig op een verslechtering van de situatie, Onze conclusies is dat er geen sprake is van een toenemende kloof tussen de kleine afgelegen dorpen in krimpregio’s en de overige kleine dorpen.
Bewoners van kleine afgelegen dorpen in krimpregio’s ervaren minder goede leefbaarheid dan bewoners van andere kleine dorpen. Maar zij gingen de leefbaarheid niet negatiever waarderen. Bewoners die wel een negatieve ontwikkeling waarnamen, noemden hiervoor het vaakst als reden het verdwijnen van voorzieningen. Bewoners die juist een positieve ontwikkeling zagen, noemden het vaakst de mentaliteit van medebewoners en de sociale vitaliteit. We zagen ook dat bewoners van afgelegen dorpen in krimpregio’s zich relatief vaak inzetten als vrijwilliger of deelnemen aan een bewonersinitiatief (51% t.o.v. 47% buiten krimpregio’s).
In dorpen met nabije voorzieningen ervaren de bewoners iets meer leefbaarheid dan in dorpen waar deze verder weg zijn. In dorpen met voorzieningen hebben bewoners bovendien meer contacten in het dorp en ervaren zij meer sociale samenhang. Ook is er een relatie met vergrijzing. In kleine dorpen met relatief veel ouderen hebben bewoners wat minder contact met elkaar en doen zij ook iets minder vaak vrijwilligerswerk. Het verdwijnen van voorzieningen en de verdergaande vergrijzing kunnen negatief uitwerken voor de leefbaarheid en de sociale samenhang op het platteland.
Algemene informatie
Voor dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van de CBS-data, SCP-data en van specifiek voor dit onderzoeksprogramma verzamelde data Sociaal Vitaal Platteland (2011 en 2014). Het rapport is een vervolg op 'De dorpenmonitor' uit 2013. Met de huidige publicatie sluit het Sociaal en Cultureel Planbureau het onderzoeksprogramma af dat zij op verzoek van het ministerie van Economische Zaken verrichtte.
Delen op: