U bevindt zich op: Home / Organisatie / Nieuws / Drukte na de val
Directeur Paul Schnabel over de val van het kabinet en de informatieperiode.
In zijn column in de FD van zaterdag 27 februari 2010 werpt directeur Paul Schnabel een blik op de val van het kabinet en de informatieperiode die erop volgt. Ook vertelt hij wat de kabinetscrisis voor het SCP betekent.
'Jullie krijgen het zeker extra druk nu het kabinet gevallen is?' is voor mij de 'most frequently asked question' bij iedere kabinetscrisis. Dit is de zesde die ik in twaalf jaar meemaak en helaas moet ik elke keer zeggen dat het vooral minder werk is. In het begin dan, want er worden geen nieuwe wetten meer gemaakt, geen nota's geschreven en geen beleidslijnen uitgezet. Een demissionair kabinet handelt de lopende zaken af en doet niets wat politiek controversieel zou kunnen zijn. Dat is op dit moment bijna alles.
Als de eerste schrik voorbij is en duidelijk is wie op een aantal departementen heel tijdelijk de nieuwe bewindspersonen zijn, begint wel weer het werk ter voorbereiding van een nieuwe kabinetsperiode. Wat zouden de nieuwe prioriteiten kunnen zijn? Waar moet het nieuwe kabinet in ieder geval rekening mee houden? Wat is in de afgelopen jaren in aandacht tekort gekomen en waar moeten financiële tekorten gevreesd worden? Dat soort vragen.
Bijna overal was men daar overigens toch al mee bezig. Niet omdat men al wist dat het kabinet zou vallen, maar gewoon omdat men altijd een jaar voor de verkiezingen begint met na te denken over de vier jaar daarna. De val van het kabinet ergens dit jaar werd overigens door velen wel verwacht, maar als het echt spannend wordt, is het toch altijd een zaak van alleen de politici. De marathonsessie van 16 uur van vrijdag op zaterdag in en om de Treveszaal was een ambtenaarloos gebeuren. Het gaat dan ook helemaal niet meer om zaken, maar om personen en partijen. Net als in Afghanistan zijn dan eer, vertrouwen en 'bloedverwantschap' - partijlidmaatschap - de belangrijkste factoren geworden.
Op het Sociaal en Cultureel Planbureau zullen we nu wel al snel beginnen met het opstellen van wat bij ons heet het 'Memorandum quartaire sector'. Al bijna 25 jaar maken we voorafgaand aan een kabinetsformatie een overzicht van wat er aan geld beschikbaar en nodig is voor bijvoorbeeld zorg, onderwijs, wonen, kinderopvang, veiligheid, openbaar vervoer, asiel en openbaar bestuur. We laten dan zien hoe de ontwikkeling de afgelopen jaren is geweest in vraag en aanbod, wat dat heeft gekost en wat we verwachten voor de komende kabinetsperiode. Uiteraard doen we dat 'beleidsarm' zoals dat heet, we maken niet zelf de politieke keuzes en we doen ook geen aanbeveling over wat nodig is of prioriteit zou moeten hebben. Die keuze is aan de politiek en is voor het grootste deel al gemaakt als het kabinet geformeerd wordt. De informatieperiode daarvoor is juist bedoeld om het beleidsprofiel van het te formeren kabinet te bepalen.
In de loop der jaren heeft de vaak maandenlange informatieperiode geleid tot het opstellen van steeds omvangrijkere en gedetailleerde regeerakkoorden. Het zou wel eens kunnen zijn dat dit jaar de weg terug naar het verleden gevonden wordt. Juist omdat het vrijwel zeker niet meer mogelijk zal zijn nog een regering met drie, laat staan twee partijen te vormen, ligt het meer dan ooit voor de hand niet al vooraf te proberen alles heel precies vast te leggen. Dat is met vier of vijf partijen bijna onmogelijk en de economische en politieke ontwikkelingen gaan er ook te snel voor. Het nu demissionaire kabinet heeft als antwoord op de crisis nog geen jaar geleden het oude regeerakkoord 'Samen werken, samen leven' al moeten openbreken. Het nieuwe akkoord kreeg de omineuze titel 'Werken aan toekomst' mee. Niet aan de toekomst dus, maar aan toekomst, if any. Veel vertrouwen sprak daar al niet uit, al zal het kabinet dat wel niet op zichzelf betrokken hebben.
Hoewel dit kabinet uitgleed over de buitenlandse politiek, zal het bij de verkiezingen en de informatie toch vooral gaan om de economie en de huishouding van de staat. Dat vraagt om een kort en algemeen geformuleerd regeerakkoord, dat vooral gericht zal zijn op het terugdringen van het tekort op de begroting en het tegengaan van een verdere stijging van de staatsschuld. Dit jaar zal die waarschijnlijk op 66% van het Bruto Nationaal Product uitkomen. Niet slecht in de Europese Unie, waar landen als België en Italië al fors meer schuld dan BNP hebben, maar toch al ruim boven de afspraak van maximaal 60%. Twee jaar geleden zat Nederland nog op 40%, ongeveer 250 miljard euro. De tendens toen was dalend en dat kon ook gemakkelijk, omdat de rente laag was en de rijksbegroting een comfortabel en nog groeiend overschot liet zien. Het lijkt alweer lang geleden.
Paul Schnabel