De Armoedemonitor 1999 schetst een zo volledig en actueel mogelijk beeld
van armoede in Nederland. Het boek geeft daarmee een feitelijke basis aan
het armoededebat. Het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau
voor de Statistiek hebben een groot aantal gegevens over armoede verzameld
en geanalyseerd. De uitkomsten zijn in deze publicatie op een rij gezet. Ook
wordt een deel van het armoedebeleid geƫvalueerd. De volgende vragen staan
centraal:
- Hoeveel armen heeft Nederland?
- Is het aantal armen in de loop der tijd gegroeid?
- Hebben armen minder gunstige leefomstandigheden?
- Treft armoede bepaalde groepen, zoals eenoudergezinnen, alleenstaanden,
allochtonen en (ex-)studenten?
- Is er sprake van feminisering van armoede?
- Verkeren huishoudens langdurig in armoede? Zijn daar patronen in te
herkennen?
- In welke stadsdelen zijn de langdurig arme huishoudens
geconcentreerd?
- Leidt het vinden van werk tot een duurzame ontsnapping uit
armoede?
- Heeft de gunstige werkgelegenheidsontwikkeling van de jaren negentig
geleid tot dalende armoedecijfers?
- Wat is de invloed van het recente armoedebeleid op het aantal
armen?
- Wat vinden de bewoners van achterstandswijken zelf van het lokale
armoedebeleid?
Over het meten
van armoede hebben het CBS en het SCP een aparte publikatie gemaakt.