Persbericht: In het zicht, hfdstuk 6
Vrouwen én mannen kiezen steeds meer voor deeltijdbaan - Sociaal en Cultureel Rapport 2004 - Hoofdstuk 6
Arbeidsmarkt.
-
Het gemiddelde niveau van de banen zal naar verwachting in de komende 15 jaar stijgen. Er is echter weinig aanleiding om te verwachten dat het aandeel laaggekwalificeerde banen zal afnemen. In 1985 werkte rond 7% van de Nederlanders in een baan op het laagste niveau, in 2002 is dit nog steeds zo.
-
Op de arbeidsmarkt van de toekomst is waarschijnlijk geen sprake van een algehele verbetering van de kwaliteit van het werk. Het aandeel personen dat vuil en zwaar werk verricht is in de afgelopen decennia nauwelijks afgenomen. Steeds meer werkenden hebben een baan waarin ze veelvuldig dezelfde handelingen moeten verrichten. Wel neemt de autonomie in het werk toe.
-
Het aandeel vrouwen, hoger opgeleiden, ouderen en allochtonen in de beroepsbevolking zal in de komende jaren verder toenemen.
-
Het einde van de vaste baan is niet in zicht. In 1970 bestond 80% van de werkgelegenheid uit vaste banen, in 2002 geldt dit voor 76%.
-
De voltijdbaan is wel op zijn retour. Vrouwen kiezen steeds vaker voor een grote deeltijdbaan (20-34 uur): in 1987 werkte 33% van de vrouwen in een dergelijk baan, in 2003 gold dit voor 48% van de werkende vrouwen. Ook bij de mannen is een lichte verschuiving zichtbaar van voltijdbanen naar grote deeltijdbanen.
-
Vooralsnog is van een trendmatige stijging van mobiliteit (verandering van baan en functie, uittreding uit arbeidsmarkt voor scholing of zorg) geen sprake. De door velen voorspelde transitionele arbeidsmarkt is dan ook nog ver weg.
-
In de toekomst valt een gematigde toename van het thuiswerken te verwachten, maar dat zal het beeld van de arbeidsmarkt niet gaan bepalen. Ook gaan we naar alle waarschijnlijkheid niet aanzienlijk vaker buiten kantooruren werken: van 9 tot 5 uur blijft het dominante patroon.
-
Het staat allerminst vast dat op de arbeidsmarkt in 2020 het aantal gewerkte uren per werknemer zal zijn toegenomen. De gemiddelde arbeidsduur per werknemer vertoont al sinds 1970 een dalende tendens. Dit sluit aan bij de voorkeur van de bevolking: slechts 10% vindt het wenselijk dat in 2020 het gemiddelde aantal gewerkte uren hoger zal zijn dan nu.
-
Hoewel tweederde van de bevolking denkt dat in 2020 de druk van betaald werk zal zijn toegenomen, wijst de trend van de afgelopen jaren daar niet op. De stijging van de werkdruk en het aantal overuren heeft zich met name aan het einde van de jaren tachtig voorgedaan. Sindsdien is het aandeel werkenden dat te maken heeft met tijdsdruk en burnout-verschijnselen stabiel.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit hoofdstuk 6 van het Sociaal en Cultureel Rapport 2004 .
Bontere samenstelling van de beroepsbevolking
De beroepsbevolking zal in de komende decennia steeds meer vrouwen, ouderen,
hoger opgeleiden en allochtonen tellen. Er zijn geen redenen om aan te nemen
waarom de thans zichtbare trend zich niet zal doorzetten. Thans bestaat de
beroepsbevolking voor meer dan 40% uit vrouwen, in 1971 was dit nog maar 25%.
Op dit moment heeft bijna 30% van de beroepsbevolking een hbo- of wo-diploma,
in 1971 was dit 13%. Na een lange periode van daling ligt op dit moment het
aandeel ouderen (hier 50+) in de beroepsbevolking op 20%. In de komende jaren
zal zich een verdere stijging voordoen. De toename van de
arbeidsparticipatie van ouderen is bij de mannen al aan de gang sinds 1993.
De brutoparticipatie ligt thans op 68%, en is daarmee al weer even hoog als
in 1981.
Wisselend beeld bij niveau en kwaliteit van banen
Vrij algemeen bestaat het beeld dat in Nederland het aandeel banen
op het allerlaagste niveau is geslonken en dat deze ontwikkeling zich in de
toekomst zal doorzetten. Dat is niet zo: het aandeel banen op het laagste
niveau is al enkele decennia nauwelijks veranderd. Aan de bovenkant neemt het
aandeel banen wel toe. Per saldo is het gemiddelde niveau van banen in
Nederland gestegen. Dit is een trendmatige ontwikkeling die al jaren aan de
gang is en zich naar verwachting de komende jaren zal
doorzetten.
De toename van het aandeel hogere banen betekent niet automatisch dat de
kwaliteit van de banen verbetert. Het aandeel werkenden met fysiek bezwarende
arbeidsomstandigheden - vuil en zwaar werk - daalt slechts zeer geleidelijk.
Tevens is vanaf 1994 het aandeel werkenden dat repeterende handelingen
verricht met vijf procentpunten toegenomen. Veel werkenden - zo rond de 75% -
geven aan dat hun werk goede ontplooiingsmogelijkheden biedt, maar van een
trendmatige stijging is in de afgelopen jaren geen sprake geweest. Wel
beschikken steeds meer werkenden over autonomie in het werk (b.v. zelf
beslissen hoe het werk uit te voeren, tempo zelf bepalen). In 2002 geeft 73%
van de werkenden aan dat ze beschikken over autonomie in hun werk, in
vergelijking met 1994 is dit een stijging met 8 procentpunten.
Werken buiten kantooruren en thuiswerken gaat geen grote vlucht nemen
Bijna 75% van de bevolking denkt dat in 2020 de mogelijkheden tot thuiswerken
zullen zijn toegenomen. Ontwikkelingen in de achterliggende jaren
ondersteunen deze verwachting maar beperkt. Het aandeel personen dat thuis
werkt is namelijk slechts langzaam gestegen: in 1980 werkte 15% van de
werknemers wel eens thuis, in 2000 was dit 23%. In de afgelopen decennia is
het werken buiten kantooruren niet substantieel toegenomen. Afgaande op deze
trends is het waarschijnlijk dat ook in de toekomst werken overwegend aan een
vaste plaats en tijd gebonden zal blijven.
Op weg naar een mobiele arbeidsmarkt?
De bevolking voorziet een trend in de richting van een flexibele en mobiele
arbeidsmarkt. Driekwart van de bevolking voorspelt een toename van het aantal
tijdelijke banen en eenzelfde aandeel verwacht dat het in de toekomst
gemakkelijker wordt om personeel te ontslaan. Meer dan de helft van de
bevolking verwacht dat in 2020 het aantal werkenden dat regelmatig van
werkgever verandert, groter zal zijn dan nu. Ook voorziet bijna de helft van
de bevolking dat het in 2020 makkelijker zal zijn om een periode met werk te
stoppen en scholing te volgen. Wisselingen van positie - deels vrijwillig,
deels gedwongen - typeren de toekomstige arbeidsmarkt, zo is de verwachting.
Uit de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van de afgelopen decennia blijkt
hier echter betrekkelijk weinig van. De vaste baan is nog steeds de dominante
contractvorm. 98% van de werkenden met een vaste baan heeft bovendien een
voorkeur voor een dergelijke aanstelling. Het aandeel personen dat van baan
of functie verandert, is in de afgelopen 20 jaar niet trendmatig toegenomen.
Mobiliteit hangt vooral samen met de conjuncturele omstandigheden. Die zullen
in hoge mate bepalen of flexibiliteit en mobiliteit kenmerkend zullen zijn
voor de arbeidsmarkt van 2020.
Uitbreiding van het aantal gewerkte uren stuit op weerstand
Om mee te kunnen blijven komen in de internationale concurrentie is de
regering van mening dat in de komende jaren de arbeidsduur per werknemer zal
moeten toenemen. Een verlenging van het aantal gewerkte uren per week is een
veel genoemde maatregel. Sinds de jaren zeventig is er een duidelijke trend
geweest in de richting van een daling van de gemiddelde arbeidsduur.
Werknemers hebben een sterke voorkeur voor een betrekkelijk gering aantal
arbeidsuren. Tijd buiten het werk gaat bij velen voor inkomen. Van de
werknemers die hun arbeidsduur zouden willen aanpassen, wil driekwart minder
werken. Slechts 10% van de bevolking vindt het wenselijk wanneer in
2020 het gemiddelde aantal gewerkte uren zal zijn gestegen.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks