Persbericht: In het zicht, hfdstuk 7
Kloof tussen wensen en verwachtingen in sociale zekerheid - Sociaal en Cultureel Rapport 2004 - Hoofdstuk 7
Sociale zekerheid.
-
Er bestaat een grote afstand tussen de sociale zekerheid die mensen wensen en het stelsel dat zij in 2020 verwachten. 68% zou het huidige stelsel intact willen laten, maar minder dan 10% verwacht dat dit ook zal gebeuren.
-
Een ruime meerderheid ziet een afkalving van de collectieve pensioenen in het verschiet liggen. Men verwacht dat in 2020 de pensioenleeftijd hoger zal zijn, dat gepensioneerden ook AOW-premies moeten betalen, en dat mensen met een aanvullend pensioen niet op 70% van hun eerdere loon zullen uitkomen. Ook denkt men dat het verschil tussen uitkeringen en lonen groter zal worden. Slechts een minderheid vindt zulke ontwikkelingen ook wenselijk.
-
Ongeveer driekwart van de burgers denkt dat uitkeringsontvangers en ook mensen met alleen AOW in 2020 moeilijker zullen kunnen rondkomen dan nu.
-
Fundamentele veranderingen in het stelsel, zoals een basisinkomen, een 'spaarmodel' of een ministelsel, krijgen weinig steun (8-36% voorstanders). Veel mensen zien echter wel iets in een systeem waarbij werklozen en arbeidsongeschikten tegen het minimumloon werk moeten verrichten dat nuttig is voor de samenleving (63% voorstanders).
-
Door de vergrijzing zullen de armoede en de ongelijkheid de komende twintig jaar iets oplopen. Ouderen hebben gemiddeld een lager inkomen dan werkenden en het aandeel ouderen in de bevolking zal toenemen.
-
Als de beleidstrends van de laatste jaren worden doorgetrokken, beweegt Nederland zich wat de sociale zekerheid betreft in de richting van een stelsel dat 'Amerikaanse' en 'Zweedse' kenmerken verenigt.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit hoofdstuk 7 van het Sociaal en Cultureel Rapport 2004 .
Wensen en verwachtingen lopen uiteen
Uit de resultaten van het SCP-onderzoek onder burgers komt een kloof
tussen hun verwachtingen en wensen naar voren. Ruim tweederde van de
ondervraagden wil het bestaande systeem van sociale zekerheid behouden,
waarbij de overheid verantwoordelijk is voor de bijstand, de AOW en de
werknemersverzekeringen (68%). Minder dan 10% verwacht echter dat dit in 2020
het geval zal zijn.
De veranderingen die men verwacht krijgen vaak weinig steun:
- 66% denkt dat de pensioenleeftijd in 2020 boven de 65 jaar zal liggen,
terwijl slechts 9% dat wenselijk vindt;
- 59% verwacht dat gepensioneerden dan AOW-premie moeten betalen, 24% vindt
dat gewenst;
- 89% denkt dat mensen zich in 2020 individueel moeten hebben bijverzekerd om
na hun pensionering rond te kunnen komen, 30% vindt dat wenselijk.
- 77% verwacht dat het verschil tussen lonen en uitkeringen in 2020 groter
zal zijn dan tegenwoordig; 29% vindt dat wenselijk.
Vier van de vijf ondervraagden (79%) wenst dat mensen met een aanvullend
pensioen uit zullen komen op 70% van hun laatstverdiende loon. De groep die
denkt dat dit in 2020 ook het geval zal zijn is veel kleiner (54%).
Minder toereikende uitkeringen verwacht
72% denkt dat AOW'ers in 2020 moeilijker zullen kunnen rondkomen dan thans.
De groep die verwacht dat bijstandsontvangers in de toekomst slechter af
zullen zijn is nog groter (81%). Ook ten aanzien van WW'ers en WAO'ers is men
pessimistisch gestemd: 76 à 77% denkt dat die in 2020 minder goed van hun
uitkering zullen kunnen leven dan tegenwoordig.
Fundamentele veranderingen ongewenst
Er is weinig steun voor veel fundamentele veranderingen van de sociale
zekerheid, zoals die in het politieke debat wel worden geopperd. Een
minderheid is voorstander van een gedeeltelijk basisinkomen (8%), een op de
levensloop gericht 'spaarmodel'(23%), een ministelsel dat de 'eigen
verantwoordelijkheid' benadrukt (28%), of een capuccino- of
'driepijlermodel', waarin de werkgevers en vakbonden een belangrijke rol
spelen (36%). Workfare is de enige toekomstvariant die wel door een
meerderheid wordt onderschreven (63%). De overheid zorgt er dan voor dat
werklozen en arbeidsongeschikten nuttig werk voor de samenleving kunnen doen,
in ruil voor het minimumloon. Zo'n baan mag niet geweigerd worden, tenzij men
ernstig ziek is.
Jongeren en ouderen verschillen nauwelijks van mening over de sociale zekerheid
Het oordeel van de huidige jongeren, die in de toekomst de lasten van de
sociale zekerheid zullen moeten dragen, wijkt nauwelijks af van dat van de
oudere generaties. De jongeren wensen in doorsnee zelfs een lagere gemiddelde
pensioenleeftijd dan ouderen. Daar staat tegenover dat zij vaker vinden dat
gepensioneerden in de toekomst AOW-premie moeten betalen.
Ongelijkheid en armoede nemen licht toe door vergrijzing
Door de vergrijzing zullen de ongelijkheid en armoede de komende decennia
iets toenemen. Bij een doorberekening van enkele beleidsscenario's werden de
gunstigste effecten behaald met een scenario waarbij de arbeidsdeelname wordt
bevorderd: de ongelijkheidsindex loopt dan slechts op van 0,253 (2000) tot
0,257 (2025), de armoede van 10,8 naar 10,9%. Enkele andere varianten leiden
tot iets grotere stijgingen, maar de verschillen zijn niet groot (maximale
waarden van resp. 0,261 en 11,6% in 2025). In een van die scenario's is
aangenomen dat het aantal WW'ers en arbeidsongeschikten wordt teruggedrongen
door de instroom te beperken, iets dat door het kabinet wordt beoogd. Dit
vermindert wel het aantal uitkeringsontvangers beneden de pensioenleeftijd,
maar leidt tot hogere armoedepercentages onder degenen die tot die groep
blijven behoren.
Een Amerikaans-Zweeds toekomstbeeld
De aanpassingen die de laatste tijd in de sociale zekerheid zijn
aangebracht roepen vaak de vraag op of Nederland zich beweegt in de richting
van een meer 'Amerikaans model'. De corporatistische elementen
(kenmerkend voor landen als Duitsland en Frankrijk) die in Nederland altijd
belangrijk waren, hebben de afgelopen jaren aan belang ingeboet. In de
uitvoering van de sociale zekerheid spelen werkgevers en vakbonden nu een
minder prominente rol, de kostwinnersvoordelen zijn uit de regelingen
verwijderd en vervroegde uittreding wordt in het beleid niet langer
gestimuleerd.
Tegelijkertijd neemt het gewicht van liberale elementen (kenmerkend voor de
Angelsaksische landen) toe. Er zijn meer financiële prikkels gekomen, de
marktwerking in de uitvoering werd groter, de collectieve regelingen worden
meer toegespitst op de behoeftigen en de eigen verantwoordelijkheid van
burgers en individuele werkgevers wordt sterker benadrukt.
Vanaf het midden van de jaren negentig nam ook de aandacht voor
armoedebestrijding en het activeren van werklozen en arbeidsongeschikten toe,
mede in het licht van afspraken op Europees niveau. Die ontwikkeling past
eerder bij het sociaal-democratische model van landen als Zweden en
Denemarken, die gekenmerkt wordt door een grote nadruk op
arbeidsparticipatie.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Nederlandse sociale zekerheid in de
toekomst volstrekt zal 'Amerikaniseren' - een ontwikkeling die ook slecht zou
aansluiten bij de voorkeuren van de bevolking. Het is plausibel dat in de
sociale zekerheid op termijn een gemengd sociaal-democratisch/liberaal
stelsel zal ontstaan. Vooraf valt niet aan te geven of dit een evenwichtige
mengvorm zal worden, een betrekkelijk karig 'Scandinavisch' systeem, of een
'Amerikaans' stelsel met een 'Zweeds' randje. Zo'n hybride stelsel kan in de
toekomst bovendien problematisch blijken: de brede solidariteit van de
Scandinavische stelsels en de beperkte collectieve voorzieningen van de
liberale systemen staan op gespannen voet met elkaar.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks