Persbericht: Prestaties van de publieke sector
Hoog uitgavenpeil is geen garantie voor goede prestaties in de publieke dienstverlening
Public Sector Performance. An international comparison of education, health care, law and order and public administration.
-
In 2003 bedroegen de overheidsuitgaven in de EU gemiddeld 47% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). In Nederland lag dit percentage rond de 48% en in landen als Zweden, Denemarken, België, Frankrijk, Oostenrijk en Hongarije lag dit boven de 50%. In Ierland en de Verenigde Staten (VS) lag het respectievelijk op 33% en 35%.
-
Op onderwijsgebied boeken Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland redelijke prestaties tegen een gemiddeld uitgavenniveau. Vergelijkbare prestaties tegen relatief lage kosten levert Nieuw Zeeland. Finland en Canada leveren de beste prestaties bij een iets meer dan gemiddeld uitgavenniveau. Polen, Portugal, Griekenland en Italië combineren een betrekkelijk laag uitgavenniveau met tamelijk zwakke resultaten, terwijl Zweden, Denemarken en de VS redelijke resultaten boeken tegen relatief hoge kosten.
-
Over het algemeen doen landen met een uniform onderwijsstelsel het beter dan landen met een sterk naar schooltype gedifferentieerd onderwijsstelsel. Nederland is hier de uitzondering, met goede testscores voor leesvaardigheid en mathematisch inzicht en redelijke scores voor het opleidingsniveau van de bevolking. Echter, de in Europees verband geformuleerde doelstelling dat 80% van de bevolking in 2010 minimaal voortgezet hoger onderwijs moet hebben gevolgd, lijkt zonder drastische ingrepen niet haalbaar.
-
Er bestaat geen direct verband tussen de zorguitgaven in een land en de effectiviteit van zijn zorgstelsel. Zweden bereikt de hoogste score bij een gemiddeld uitgavenniveau. Tegen dezelfde kosten kent Nederland een iets minder effectief stelsel. Spanje, Finland, Nieuw-Zeeland en Griekenland combineren een hoog prestatieniveau met betrekkelijk lage uitgaven. De VS combineren een zeer hoog uitgavenpeil met een beperkte effectiviteit. Daarentegen is het zorgstelsel in Tsjechië redelijk effectief bij een laag uitgavenniveau.
-
De inzet van personeel bij politie en justitie per duizend inwoners varieert tussen de 2,7 in Finland en 8,3 in Italië. Met 4,0 scoort Nederland iets onder het gemiddelde. In de VS, de Zuid-Europese landen en de meeste nieuwe lidstaten ligt de personele inzet boven de 5. De laatstgenoemde llanden onderscheiden zich in de regel ook door een hoge strafmaat. Voorts kan worden geconstateerd dat de geregistreerde criminaliteit in deze als repressief te beschouwen landen over het algemeen laag is. Deze varieert van rond 100 per duizend inwoners in Zweden, Finland en Nieuw-Zeeland tot circa 20 in Ierland, Cyprus en Slowakije.
-
De beoordeling van de kwaliteit van het openbaar bestuur is gebaseerd op enquêtes. Wat de kwaliteit van het openbaar bestuur betreft is Nederland een goede middenmoter. Effectieve implementatie van besluiten en regels wordt volgens de Europese burgers vooral in de Scandinavische landen gevonden. Griekenland, Duitsland en Italië worden gezien als landen die enige moeite hebben beslissingen van de regering in daden om te zetten. Tussen 1998 en 2003 is in de doeltreffendheid van overheidsoptreden volgens respondenten niet veel veranderd. Een uitzondering vormt de toegenomen transparantie. Uit enquêtes blijkt dat vooral de Scandinavische landen als minder corrupt worden beschouwd. De in verhouding ongunstige scores van Italië en Griekenland zijn opvallend, evenals de slechte score van de meeste nieuw-toegetreden landen uit Centraal-Europa.
Dit zijn enkele conclusies uit het rapport Public Sector
Performance. An international comparison of education,
health care, law and order and public administration , dat op donderdag 16 september jl. is verschenen. De
publicatie, onder redactie van dr. Bob Kuhry, kwam tot stand in opdracht van
het ministerie van BZK in het kader van het Nederlandse voorzitterschap van
de EU. Het rapport omvat een vergelijking van de prestaties van de publieke
sector in 25 EU-lidstaten, de VS, Canada, Australië en Nieuw Zeeland op de
terreinen onderwijs, gezondheidszorg, politie en justitie en openbaar
bestuur.
Doel is vooral het beschrijven van good practices, zodat landen van elkaars
ervaringen kunnen leren.
Van de samenvatting van dit rapport verschijnen op 23 september vertalingen
in het Frans, Duits, Engels, Spaans, Italiaans en Pools. Verder verschijnt op
11 oktober een Franse vertaling van het volledige rapport. Een Nederlandse
versie is vanaf 16 september op internet beschikbaar.
Nederland kent een gemiddeld niveau van overheidsuitgaven
In 2003 bedroegen de overheidsuitgaven in de EU gemiddeld 47% van het Bruto
Binnenlands Product (BBP). Nederland scoorde rond de 48%. In landen als
Zweden, Denemarken, België, Frankrijk, Oostenrijk en Hongarije lag dit
percentage boven de 50%. In Ierland en de Verenigde Staten (VS) lag het
respectievelijk op 33% en 35%. Het beeld verandert echter aanzienlijk wanneer
ook private uitgaven voor terreinen als onderwijs en zorg in de beschouwing
worden betrokken. Met name de VS stijgen dan aanzienlijk op de
ranglijst.
Luxemburg en Ierland scoren het best op de gehanteerde maatstaven voor
stabiliteit en groei (groei BBP, inflatie, werkloosheid en overheidssaldo).
Het slechtst is deze score, ondanks sterke verbeteringen in het recente
verleden, bij nieuwe lidstaten als Polen, Tsjechië, Hongarije en Slowakije.
Nederland kent na Tsjechië het geringste percentage armen (10% volgens de
door de EU gehanteerde relatieve definitie). Aan de andere zijde van het
spectrum bevinden zich Australië, de VS en Portugal met meer dan 20%
armen.
De arbeidsparticipatie is hoog in de Scandinavische landen en Nederland bij
een hoog niveau van publieke uitgaven en een lage inkomensongelijkheid. Van
een hoge arbeidsparticipatie is echter ook sprake in een aantal landen met
een hoge inkomensongelijkheid als de VS en andere Angelsaksische landen. Het
beeld verandert als niet alleen de deelname in termen van personen, maar ook
in termen van arbeidsuren in de beschouwing wordt betrokken. Het aantal
gewerkte uren is laag in de Scandinavische landen en in het bijzonder ook in
Nederland.
Nederland kent redelijk evenwicht tussen kosten en baten onderwijs
Gemiddeld besteden landen 5,5% van hun BBP aan onderwijs. De lijst
wordt aangevoerd door Denemarken, Zweden en Cyprus, waar de onderwijsuitgaven
ongeveer 8% BBP beslaan. In de staart vinden we Griekenland, Luxemburg en
Slowakije, met een onderwijsuitgavenquote van circa 4%. Nederland neemt met
5,3% een middenpositie in, maar is recent een aantal plaatsen op de ranglijst
gestegen. Het aantal leerkrachten per duizend inwoners varieert van 21 in
Spanje tot omstreeks 45 in Litouwen en de VS. Opnieuw neemt Nederland een
middenpositie in, met 27 onderwijsgevenden per duizend inwoners.
De effectiviteit (d.w.z. de vaardigheden van leerlingen en het bereikte
opleidingspeil) van onderwijsstelsels kan worden afgezet tegen de uitgaven
voor onderwijs (in euro's). De uiterste posities worden ingenomen door Polen
(lage uitgaven, zwakke prestaties), Hongarije en Tsjechië (lage uitgaven,
matige resultaten), Nieuw-Zeeland (betrekkelijk lage uitgaven en goede
prestaties), en Finland en Canada (tamelijk hoge uitgaven en uitstekende
prestaties). Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland weten een
gemiddeld uitgavenniveau te combineren met redelijke prestaties. De VS,
Zweden en Denemarken boeken redelijke resultaten bij in verhouding hoge
uitgaven. Portugal, Griekenland en Italië kennen een betrekkelijk laag
uitgavenniveau, maar boeken ook tamelijk zwakke resultaten.
Over het algemeen doen landen met een uniform onderwijsstelsel het beter dan
landen met een sterk naar schooltype gedifferentieerd onderwijsstelsel.
Nederland is hier echter de uitzondering die de regel bevestigt, met goede
testscores voor leesvaardigheid en mathematisch inzicht en redelijke scores
voor het opleidingsniveau van de bevolking. Echter, de in Europees verband
geformuleerde doelstelling dat 80% van de bevolking in 2010 minimaal
voortgezet onderwijs moet hebben gevolgd, lijkt zonder drastische ingrepen
niet haalbaar.
Geen verband tussen zorguitgaven en kwaliteit/effectiviteit zorgstelsel
In het jaar 2000 gaven de EU-15 landen meer dan 8% van hun BBP uit
aan gezondheidszorg. In de nieuw toegetreden landen was dat 5% tot 7% van het
BBP. Met 13% van het BBP hebben de VS veruit de hoogste uitgavenquote. Deze
extreem hoge uitgaven zijn deels het gevolg van de hoge inkomens die in de VS
in de zorgsector worden verdiend en het juridische claimgedrag van patiënten
bij vermeende onjuiste behandelingen.
De prestaties van een zorgstelsel blijken uit een hoge levensverwachting, een
lage zuigelingensterfte, een hoog aandeel gezonde levensjaren en een als
gunstig ervaren gezondheid. Hongarije scoort laag op deze
prestatie-indicatoren en Zweden hoog. Nederland is een goede middenmoter. De
meeste landen scoren rond het gemiddelde. Alleen Portugal en de VS halen dit
niveau niet, evenals de nieuw toegetreden landen. Er bestaat geen direct
verband tussen de zorguitgaven in een land (als aandeel van het BBP) en de
effectiviteit van zijn zorgstelsel. De VS combineren een relatief hoge
uitgavenquote met een beperkte effectiviteit. Daartegenover is het stelsel in
Tsjechië redelijk effectief, bij een in verhouding beperkte inzet van
middelen. De lage uitgavenquote in de nieuw toegetreden landen wordt deels
verklaard door het lage niveau van de salarissen in hun
gezondheidszorgstelsel. Tamelijk verrassend is dat de samenhang tussen de
kwaliteit van het stelsel en de uitgavenquote nauwelijks wordt beïnvloed door
verschillen in de leeftijdsopbouw of de levensstijl van de bevolking.
Het bevorderen van de gezondheidstoestand van de bevolking is hoofddoel van
de gezondheidszorg. Daarnaast worden kwaliteit en toegankelijkheid gezien als
belangrijke doelstellingen van de gezondheidszorg. Door ook deze indicatoren
te betrekken in de prestaties van een zorgstelsel verandert de rangordening
van landen. Frankrijk, Duitsland en Luxemburg maken een aanzienlijke sprong
omhoog, maar ook België en Oostenrijk komen daardoor hoger uit. Enkele landen
die hoog scoren op de gezondheid van de bevolking zakken op de ranglijst
wanneer ook de kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg in de
prestatiemeting worden betrokken. Door het geringe vertrouwen van de
bevolking in hun zorgstelsel, door wachtlijstproblemen en door hogere eigen
betalingen dalen Australië, Finland, Spanje en Denemarken af naar de subtop.
Nieuw Zeeland komt nog lager uit door een matige score op alle drie de
indicatoren voor de kwaliteit en toegankelijkheid van het zorgstelsel.
Criminaliteit laag in landen met een repressieve strafrechtelijke keten
De voor politie en justitie ingezette personeelssterkte varieert tussen 2,7
(Finland) en 8,3 (Italië) per duizend inwoners. Met 4,0 scoort Nederland iets
onder het gemiddelde. Een betrekkelijk hoge inzet is kenmerkend voor de VS en
de Centraal- en Zuid-Europese landen, een lage inzet in de Scandinavische
landen, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Canada. De laatstgenoemde drie
landen en de VS worden echter gekenmerkt door een omvangrijke particuliere
beveiligingssector.
De geregistreerde criminaliteit varieert van 100 per duizend inwoners in
Zweden en Nieuw-Zeeland tot 20 in Ierland, Cyprus en Slowakije. Nederland is
een hoge middenmoter met 75 misdrijven per duizend inwoners. De Zuid-Europese
landen, de nieuwe lidstaten en de VS worden gekenmerkt door een score van 40
of lager.
De strafmaat kan worden beschouwd als een belangrijk systeemkenmerk. Als
indicator hiervoor is het aantal dagen gevangenisstraf per (gewogen)
misdrijf gekozen. Dit blijkt te variëren van meer dan 50 in de VS en Litouwen
tot 5 of minder in de meeste West-Europese landen (inclusief Nederland) en in
Australië, Canada en Nieuw-Zeeland. Betrekkelijk hoog scoren de meeste nieuwe
lidstaten, Ierland en de Zuid-Europese landen.
De VS, de Zuid-Europese landen en veel van de nieuwe lidstaten paren een hoge
inzet van personeel en een hoge strafmaat aan een verhoudingsgewijs lage
criminaliteit. Voor een andere groep landen (Zweden, Finland, Denemarken,
Canada, Engeland/Wales en ook Nederland) geldt het omgekeerde. Toch is het
vertrouwen in politie en justitie hoger in de laatstgenoemde landen.
Er blijkt opvallend weinig verband te bestaan tussen gevoelens van
onveiligheid en de feitelijke kans op slachtofferschap. Zowel in Portugal,
Polen als Australië voelen mensen zich onveilig, terwijl de kans op het bloot
staan aan een misdrijf in deze landen respectievelijk zeer laag, gemiddeld en
hoog is. Nederland is een land waar de burgers zich betrekkelijk veilig
voelen, maar waar ze toch een verhoudingsgewijs hoge kans hebben om een
misdrijf te ondervinden.
Scandinavische landen door EU-burgers als minst corrupt beschouwd
Uitgaven voor het openbaar bestuur (het maken van beleid, wetgeving en
algemeen beheer) schommelen tussen 1,3% (Verenigd Koninkrijk) en 4,8 %
(Frankrijk) van het BBP. De meeste landen spenderen voor dit doel tussen de
2,5% en de 3,5% van het BBP, uitgezonderd Ierland en Spanje (wat minder) en
Zweden en Oostenrijk (wat meer). Het aantal overheidsdienaren per duizend
inwoners loopt van 4 in Cyprus tot 33 in de Verenigde Staten. Binnen de EU-15
is het aantal ambtenaren als aandeel van de totale bevolking relatief gering
in Griekenland, Ierland en Italië; het is relatief groot in België,
Denemarken en Frankrijk. In de niet met name genoemde EU-15 landen ligt dit
verhoudingsgetal tussen 15 en 25 ambtenaren per duizend inwoners. Met 23
ambtenaren ligt Nederland iets boven het gemiddelde.
Bij de beoordeling van de kwaliteit van het openbaar bestuur wordt Nederland
eveneens beschouwd als een goede middenmoter. Het oordeel over de kwaliteit
op dit terrein is gebaseerd op enquêtes.
Effectieve implementatie van besluiten en regels wordt volgens de Europese
burgers vooral in de Scandinavische landen gevonden. Griekenland, Duitsland
en Italië worden gezien als landen die enige moeite hebben beslissingen van
de regering in daden om te zetten. Tussen 1998 en 2003 is in de
doeltreffendheid van overheidsoptreden volgens respondenten niet veel
veranderd. Een uitzondering vormt de toegenomen transparantie. Blijkens
enquêtes verschilt het niveau van corruptie in de Europese landen sterk.
Vooral de Scandinavische landen worden als minder corrupt aangemerkt. Italië
en Griekenland kennen verhoudingsgewijs lage scores, evenals de meeste
nieuw-toegetreden landen uit Oost-Europa.
Steeds terugkerende landengroepen
De rapportcijfers voor de totale prestaties van de publieke sector
vertonen minder variatie dan de cijfers voor de onderdelen. Deze variëren
tussen 6,5 in Finland en 3,4 in Polen, met een vrij gemiddelde score (5,6)
voor Nederland. Bij de afzonderlijke onderdelen plegen de cijfers uiteen te
lopen tussen 2 en 8. Deze lagere totaalscore is een gevolg van het feit, dat
er geen landen zijn die op alle items extreem hoog of extreem laag scoren.
Koplopers als Denemarken en Finland scoren hoog op de kwaliteit van het
openbaar bestuur en de verdeling van de welvaart, maar laag op veiligheid
(hoge criminaliteit). Polen doet het matig tot slecht in veel opzichten, maar
goed waar het gaat om economische groei, inkomensverdeling en het tegengaan
van voortijdige schooluitval.
Er bestaat slechts een matige samenhang tussen de prestaties van de publieke
sector en het vertrouwen van de bevolking in de overheid en publieke
diensten. Meest opvallend is het hoge vertrouwen dat de Polen in hun publieke
sector stellen, dat in scherp contrast staat met de matige prestaties. Voor
Tsechië geldt het omgekeerde.
Ten aanzien van verschillende onderwerpen is in de literatuur en in het
huidige rapport gepoogd om op basis van stelselkenmerken te komen tot een
indeling in landengroepen. Ongeacht het onderwerp en de gehanteerde methodiek
blijken hierbij steeds dezelfde landengroepen naar voren te komen: de West-,
Zuid- en Centraal-Europese landen, de Scandinavische landen en een groep van
Angelsaksische landen. Deze op zich weinig verrassende uitkomst kan mede
worden toegeschreven aan een gemeenschappelijke historische en geografische
achtergrond.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks