U bevindt zich op: Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2004 / Werkt verlof? / Persbericht: Werkt verlof?
In de jaren 2001-2002 zijn vier op de tien werknemers geconfronteerd met een onverwachte situatie (zoals een ziek kind of het overlijden van een familielid) waarvoor verlof opgenomen kan worden.
Drie op de tien werknemers neemt daarvoor daadwerkelijk een vorm van verlof op. In de helft van de gevallen gaat het om het overlijden van een familielid.
Bij onverwachte situaties wordt in de helft van de gevallen gewoon een vrije dag opgenomen. Van het recht op calamiteitenverlof, dat juist voor dergelijke situaties is bedoeld, wordt slechts in 5% van de gevallen daadwerkelijk gebruik gemaakt.
Bij een bevalling neemt 90% van de mannelijke werknemers een vorm van verlof op. In de helft van de gevallen gaat het dan om kraamverlof.
Het merendeel van de werknemers heeft geen behoefte aan mogelijkheden voor verlofsparen en loopbaanonderbreking. De belangrijkste reden hiervoor is het inkomensverlies.
Van de werknemers die bij onverwachte situaties of kortdurende ziekte van een naaste wel behoefte hebben aan verlof maar dit uiteindelijk niet opnemen geeft circa 40% als belangrijkste reden dat 'het werk dit niet toeliet'.
Het merendeel van de werknemers vindt de duur van het calamiteiten- en zorgverlof voldoende. Van de werknemers die een langdurig zieke of stervende verzorgden geeft echter ruim een derde aan dat de mogelijkheden voor verlof tekort schieten.
Dit zijn enkele conclusies uit het SCP-onderzoeksrapport Werkt verlof? Het gebruik van regelingen voor verlof en aanpassing van de arbeidsduur , dat op donderdag 22 april is verschenen. In het rapport, dat werd opgesteld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), geven de onderzoekers dr. Heleen van Luijn en dr. Saskia Keuzenkamp een beeld van de behoefte aan en het gebruik van bijzondere verlofregelingen die werknemers meer mogelijkheden moeten bieden om arbeid en zorgtaken te combineren. Onderzocht werd het gebruik van regelingen voor: verlof voor onverwachte situaties, voor kortdurend zieken, langdurend zieken en stervenden, verlofsparen, loopbaanonder-breking, kraamverlof, ouderschapsverlof en korter werken.
Voor dit rapport is eind 2002 een enquête gehouden onder werknemers tussen de
20 en 61 jaar, alsmede onder personen die de voorgaande twee jaar gestopt
waren met werken vanwege zorgtaken. De respondenten werd gevraagd in hoeverre
zich gedurende de twee voorgaande jaren situaties hadden voorgedaan waarvoor
een verlofregeling bestaat. Was dit het geval dan werd verder geïnformeerd
naar de behoefte aan verlof, de mate waarin daadwerkelijk verlof was
opgenomen en de aard van dit verlof: werd gebruik gemaakt van een bijzondere
verlofregeling of werden vakantiedagen of adv opgenomen?
Het merendeel van de werknemers die in de jaren 2001-2002 werden
geconfronteerd met onverwachte situaties of kortdurende ziekte van een naaste
gaf aan hiervoor behoefte te hebben aan verlof. Aan de mogelijkheden voor
verlofsparen en loopbaanonderbreking bleek een grote meerderheid van de
werknemers geen behoefte te hebben. De belangrijkste reden hiervoor was het
inkomensverlies.
Drie van de tien werknemers heeft gedurende twee jaar tenminste één keer
verlof opgenomen in verband met een onverwachte situatie. Van de mensen die
met een dergelijke situatie worden geconfronteerd neemt acht op de tien een
vorm van verlof op. Van de mogelijke aanleidingen werd in 46% het overlijden
van een familielid genoemd. In 25% van de gevallen ging het om een plotseling
ziek kind en eveneens in 25% van de gevallen werden onvoorziene
omstandigheden rond de woning (inbraak, kapotte waterleiding, e.d.) genoemd.
Eén op de tien werknemers nam in een periode van twee jaar verlof op vanwege
een kortdurende ziekte van een naaste.
Bij onverwachte situaties wordt meestal geen beroep gedaan op de daarvoor
bestemde verlofregeling. In de helft van de gevallen wordt gewoon een vrije
dag opgenomen. Calamiteitenverlof wordt slechts in 5% van de gevallen
opgenomen. Bij kortdurende ziekte van een naaste wordt zelfs in 67% van de
gevallen een vakantiedag of adv opgenomen.
Bij de geboorte van een kind neemt 90% van de mannelijke werknemers een vorm
van verlof op. In meer dan de helft van de gevallen gaat het niet of niet
alleen om kraamverlof, maar om vakantie- en advdagen.
Bij een calamiteit heeft 9% van de werknemers wel behoefte aan verlof, maar
neemt dit uiteindelijk toch niet op. Bij kortdurende ziekte van een naaste
gaat het om 15%.
Het verschil wordt groter bij langduriger vormen van verlof: bij langdurige
ziekte van een naaste neemt 40% van de werknemers geen verlof op hoewel men
daar wel behoefte aan heeft; bij ouderschapsverlof gaat het zelfs om
72%.
Gevraagd naar de reden waarom geen gebruik is gemaakt van een verlofregeling
werd bij onverwachte situaties en kortdurende ziekte van een naaste in circa
40% van de gevallen geantwoord dat 'het werk dit niet toe liet'. Bij
ouderschapsverlof, loopbaanonderbreking, verlofsparen en korter werken werd
vaak het inkomensverlies als reden aangevoerd.
Uit het onderzoek blijkt dat het merendeel van de werknemers de duur van het
verlof voldoende vindt. Van de werknemers die een langdurig zieke of
stervende verzorgden vindt echter ruim een derde de duur van de bestaande
verlofmogelijkheden te kort. Voor dergelijke situaties bestaat nog geen
wettelijke verlofregeling. Werknemers nemen dan vaak vrije dagen op, krijgen
buitengewoon verlof, of melden zich ziek.
Tien á twintig procent van de werknemers die gebruik maakten van een verlofregeling of die korter gingen werken vonden het niet eenvoudig om een regeling te treffen. Het ging daarbij vooral om een regeling voor loopbaanonderbreking en verlof voor de verzorging van een langdurig zieke of stervende. Werknemers die bij onverwachte situaties en kortdurende ziekte van een naaste met moeite een regeling konden treffen gaven in meerderheid aan dat het belangrijkste bezwaar in de werksfeer lag.