Direct naar (in deze pagina):inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2005 / Jaarrapport Integratie 2005 / Persbericht: Jaarrapport integratie 2005

Persbericht: Jaarrapport integratie 2005

Maatschappelijke achterstand allochtonen is hardnekkig

· Van de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse immigranten in 2003 kwam 80-90% naar Nederland om een gezin te stichten (huwelijk) of voor gezinshereniging.

· Het aantal asielzoekers daalde van circa 30.000 in 2000 tot ruim 9.000 in 2003

· Meer dan 90% van de 'nieuwkomers' meldt zich voor een inburgeringscursus.

· Niet-westerse allochtone leerlingen hebben in groep 8 van het basisonderwijs nog een taalachterstand van één à twee jaar. Voor rekenen is dit ongeveer een half jaar.

· Eén op de tien allochtone leerlingen in de lagere leerwegen van het vmbo en de examenklassen van havo en vwo verlaat de school zonder diploma.

· De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen nam toe van 9% in 2001 tot 16% in 2004. Onder autochtonen lag de werkloosheid in 2004 rond 5%.

· Van de Turken en Marokkanen trouwde in 2001 circa 90% met een partner uit de eigen herkomstgroep. Rond 60% van de partners werd uit het herkomstland naar Nederland gehaald. Onder Antillianen ging het in 2001 bij de helft van de huwelijken om een autochtone partner.

· Turken, Marokkanen en Somaliërs hebben in hun vrije tijd weinig contact met autochtonen. Iraniërs daarentegen zijn sterk op autochtonen gericht.

· Meer dan 60% van de Marokkanen bidt vijf maal daags; bij de Turken is dit bijna 30%, terwijl een derde van hen nooit bidt.

· Tussen 1995 en 2004 is de concentratie van niet-westerse allochtonen in bepaalde wijken en buurten toegenomen..

· Van de Marokkaanse mannen in de leeftijd van 18-24 jaar wordt ruim 18% en van de Antilliaanse mannen van diezelfde leeftijd ruim 13% verdacht van criminaliteit. Bij de autochtone leeftijdgenoten is dit percentage bijna 4%.

Dit zijn enkele conclusies uit het Jaarrapport Integratie 2005 dat op dinsdag 20 september jl. is verschenen. Het rapport, dat op verzoek van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk werd opgesteld door onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), geeft een beeld van de positie van allochtonen in Nederland. Aan de orde komen onder meer de inburgering, opleiding, arbeidsmarktpositie en woonomstandigheden van allochtonen, de positie van allochtone vrouwen, de relatie tussen allochtone jongeren en criminaliteit en, tot slot, de opvattingen van autochtonen en allochtonen over de multi-etnische samenleving. De aandacht richt zich op de allochtone groepen die al langer in Nederland verblijven (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen) en op de grote vluchtelingengroepen.

Aantal asielzoekers gedaald, aantal huwelijksmigranten gestegen (CBS/WODC)

Op 1 januari 2005 telde Nederland bijna 1,7 miljoen niet-westerse allochtonen (ruim 10% van de bevolking). De grootste niet-westerse allochtone groepen zijn de Turken (ruim 350.000), de Surinamers (een kleine 330.000), de Marokkanen (315.000) en de Antillianen (130.000). Kleinere niet-westerse groepen zijn bijvoorbeeld de Irakezen (44.000), Afghanen (37.000), Iraniërs (29.000) en Somaliërs (22.000). De laatste jaren komen immigranten vooral naar Nederland om een gezin te stichten (huwelijk). Ook komen er nog steeds immigranten om zich bij hun gezin te voegen. Van de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse immigranten in 2003 kwam 80-90% naar Nederland om een gezin te stichten of voor gezinshereniging.

De daling van het aantal asielzoekers dat naar Nederland komt heeft zich de laatste jaren voortgezet. In 2004 werden minder dan 10.000 asielverzoeken ingediend. Dit is het laagste aantal sinds 1988.

Hoge deelname nieuwkomers aan inburgeringstraject, geringe stijging taalvaardigheid oudkomers (WODC)

Van de immigranten die zich voor het eerst in Nederland vestigden en die in aanmerking kwamen voor een inburgeringscursus nam de laatste jaren meer dan 90% daadwerkelijk hieraan deel. In 2003 namen bijna 45.000 nieuwkomers en circa 17.000 oudkomers (allochtonen die reeds in Nederland woonden) deel aan een inburgeringstraject. Van de groep nieuwkomers die in 2003 met een inburgerings- programma startte, is iets meer dan 10% uitgevallen. Van de oudkomers die in de periode 2000-2003 een inburgeringscursus volgden is meer dan 20% voortijdig gestopt. Wat taalvaardigheid betreft bereikte in 2004 ruim 40% van de nieuwkomers het NT2 (Nederlands als Tweede taal)-niveau 2 of hoger, dat nodig is voor deelname aan vervolgopleidingen of de arbeidsmarkt. Ruim 30% bereikte niveau 1, terwijl 25% bleef steken op niveau 0. Van de oudkomers had in 2003 bijna 60% geen vooruitgang geboekt, 30% was één niveau hoger gekomen en 10% had een stijging van twee of meer niveaus geboekt.

Meer dan kwart van de allochtonen heeft geen of alleen basisonderwijs genoten (WODC/CBS)

Het gemiddelde opleidingsniveau van niet-westerse allochtonen is de afgelopen 15 jaar sneller gestegen dan onder autochtonen. Toch ligt hun niveau nog steeds beduidend lager dan dat van autochtonen.

In 2003 had ruim 15% van de niet-westerse allochtonen een hbo- of wo-opleiding voltooid. Onder autochtone Nederlanders ligt dit aandeel op ruim 25%. Van de niet-westerse allochtonen had meer dan een kwart niet meer dan basisonderwijs genoten. Onder autochtonen is dit aandeel minder dan 10%.

Van de Turken en Marokkanen heeft minder dan één op de tien een hbo- of wo-diploma. Ongeveer 40% van de Turken en 45% van de Marokkanen heeft geen onderwijs of alleen basisonderwijs gevolgd.

Van de Surinamers en Antillianen heeft bijna één op de vijf niet meer dan basisonderwijs. Rond de 16% van hen is in bezit van een hbo- of wo-diploma.

Asielzoekers zijn vaak hoger opgeleid dan Turken en Marokkanen. Dit geldt met name voor de Iraniërs. Verder is de tweede generatie niet-westerse allochtonen beter opgeleid dan de eerste.

Achterstand van allochtonen in basisonderwijs neemt af, taalachterstand nog hardnekkig (SCP/CBS)

Op de basisschool hebben Turkse en Antilliaanse leerlingen in groep 8 nog een taalachterstand van bijna tweeëneenhalf jaar op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Marokkaanse leerlingen lopen twee jaar achter en Surinaamse - net als autochtone achterstandsleerlingen - nog ongeveer één jaar op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Bij het rekenen liggen Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen in groep 8 ongeveer een half jaar en Antilliaanse leerlingen driekwart jaar achter op de autochtone niet-achterstandsleerlingen. De leerachterstand van alle allochtone groepen ten opzichte van de autochtone niet-achterstandsleerlingen is nog beduidend groter dan die van autochtone achterstandsleerlingen.

De afgelopen 15 jaar hebben Turkse en Marokkaanse leerlingen circa een derde van hun taalachterstand ingelopen. Bij het rekenen werd bijna de helft van de achterstand ingelopen. Antilliaanse leerlingen maakten ruim 10% van hun taalachterstand goed, maar maakten weinig vorderingen bij het rekenen.

In vijftien jaar tijd hebben de zwarte scholen de taalachterstanden ten opzichte van witte scholen met de helft teruggedrongen en de rekenafstanden met driekwart.

Relatief veel schooluitval onder allochtone leerlingen in voortgezet onderwijs (SCP/CBS)

Ongeveer 20% van de Turkse en Marokkaanse leerlingen volgt een havo-vwo opleiding. Bij de Surinaamse en Antilliaanse leerlingen bedraagt dit aandeel 25%, terwijl dit bij de autochtone leerlingen op bijna 50% ligt. Ook van de Iraanse leerlingen volgt bijna de helft havo of vwo. Bij de (voormalige) Joegoslavische en Afghaanse leerlingen ligt dit aandeel op 38%, bij de Iraakse leerlingen op 30% en bij de Somalische leerlingen op minder dan 20%. De grote meerderheid (80%) van de Turkse, Marokkaanse en Somalische jongeren in het voortgezet onderwijs zit op het vmbo. Ongeveer één op de tien niet-westerse allochtone leerlingen in de lagere leerwegen van het vmbo, maar ook in de eindexamenklassen van havo en vwo, verlaat de school zonder diploma.

De instroom in het hoger onderwijs is, hoewel nog steeds op een lager niveau dan onder autochtonen, onder Turkse en Marokkaanse jongeren sinds 1995 verdubbeld. De deelname van allochtone vrouwen aan het hoger onderwijs is in de meeste etnische groepen sneller gestegen dan die van de mannen.

Snelle stijging werkloosheid niet-westerse allochtonen, hoge jeugdwerkloosheid (SCP/CBS)

Na 2001 is de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen sneller opgelopen dan bij autochtonen. Onder niet-westerse allochtonen liep het werkloosheidspercentage op van 9% in 2001 tot 16% in 2004. Onder de autochtone bevolking is dit 5%. Van de grote groepen niet-westerse allochtonen is de werkloosheid het hoogst bij de Marokkanen (22%) en de Antillianen (16%).

Onder de vluchtelingengroepen is de werkloosheid hoog: 37% van de Afghanen, 39% van de Irakezen en 36% van de Somaliërs. Van de grote groepen niet-westerse allochtonen is de werkloosheid het hoogst bij de Marokkanen (22%) en de Antillianen (16%).

Onder jonge niet-westerse allochtonen (15-24 jaar) bedraagt de werkloosheid 23%; onder autochtone jongeren is dit 12%.

Van de niet-westerse allochtonen van 15-65 jaar heeft 25% een (WAO-, WW- of bijstands)uitkering. Onder de autochtonen is dit aandeel 13%.

In 2004 had bijna de helft van de niet-westerse allochtonen een betaalde baan van meer dan 12 uur per week. Bij de autochtone bevolking bedraagt dit aandeel 67%.

Van de werkende niet-westerse allochtonen heeft 16% een flexibel arbeidscontract. Onder de autochtone werkenden bedraagt dit aandeel 6%.

Turkse en Marokkaanse huwelijkspartners komen bijna altijd uit eigen kring (SCP)

Van de Turken en Marokkanen die in 2001 trouwden, deed 90% dat met een partner uit de eigen herkomstgroep. Rond 60% van deze partners was in dat jaar vanuit het land van herkomst naar Nederland gekomen. Bij 5% van deze huwelijken was sprake van een autochtone partner. Onder Antillianen bedraagt dit aandeel ongeveer 50%.

Bijna tweederde van de Turken gaat in de vrije tijd vooral om met leden van de eigen herkomstgroep. Onder Marokkanen en Somaliërs geldt dit voor de helft van hen. Van alle niet-westerse allochtonen gaan Iraniërs het vaakst om met autochtonen. De mate waarin Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen met autochtonen omgaan is tussen 1994 en 2005 vrijwel gelijk gebleven.

Marokkanen strenger in de leer dan Turken (SCP)

Bijna alle Turken en Marokkanen rekenen zich tot de islam. Meer dan 60% van de Marokkanen bidt vijf maal daags; bij de Turken bedraagt dit aandeel bijna 30%. Van de Turken bidt eenderde nooit. Van de Marokkanen vindt ruim eenderde dat moslimmeisjes een hoofddoek moeten dragen, bij de Turken is dit bijna een kwart. Turkse en Marokkaanse jongeren en leden van de tweede generatie (geboren in Nederland) zijn wat minder orthodox en vertonen wat minder religieus gedrag.

Toenemende etnische concentratie in de grote steden (SCP/CBS)

Vanouds zijn de niet-westerse allochtonen geconcentreerd in het westen van Nederland en dan vooral in de vier grote steden. De etnische concentratie in de grote steden en daarbinnen in bepaalde wijken is tussen 1995 en 2004 toegenomen. In 2004 telde Nederland ruim 450 buurten (van de in totaal 11.000 buurten) met meer dan een kwart allochtonen, in ruim 90 buurten was dit de helft. Bijna de helft van deze concentratiebuurten ligt in de vier grote steden; tezamen vormen zij ruim 10% van alle buurten in die steden. Concentratiewijken kenmerken zich door meer verloedering en overlast en minder sociale samenhang. Bewoners worden vaker slachtoffer van criminaliteit en voelen zich minder veilig.

Marokkaanse en Antilliaanse jongeren het vaakst verdacht van criminaliteit (WODC/CBS)

Van de allochtone mannen van 18-24 jaar wordt bijna 8% verdacht van criminaliteit, bij de autochtone mannen van diezelfde leeftijd is dit bijna 4%. Van de allochtone groepen is het aandeel van criminaliteit verdachten het hoogst onder Marokkanen (ruim 18%) en Antillianen (ruim 13%).

Van alle gedetineerden was in 2004 ruim een derde geboren in een niet-westers land. In 12% van de gevallen gaat het om Antilliaanse jongeren, in 7% van de gevallen om Marokkaanse.

Marokkaanse en Antilliaanse jongeren vallen het meest terug in crimineel gedrag.

Grote verschillen in positie allochtone vrouwen (SCP)

Een groot deel van de Marokkaanse, Somalische en vooral Turkse vrouwen trouwt vroeg en krijgt jong kinderen. Zij hebben vaker traditionele denkbeelden, gaan weinig om met autochtonen en trouwen meestal met iemand uit de eigen herkomstgroep, vaak een huwelijksmigrant. Surinaamse, Antilliaanse en Iraanse vrouwen zijn modern in hun relatie- en gezinsvorming, en ook in hun culturele opvattingen. Zij hebben relatief veel contacten met autochtonen en doen het van alle allochtone vrouwen het beste in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Surinaamse vrouwen hebben ook nog vaker een betaalde baan dan autochtone vrouwen (58% tegenover 56%). Dit staat in schril contrast met de Afghaanse, Iraakse en Somalische vrouwen, van wie niet meer dan 15% een baan van 12 uur per week of meer heeft.

Wederzijdse acceptatie van allochtonen en autochtonen is beperkt (SCP)

De helft van de autochtone maar ook van de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroep vindt dat de westerse leefwijze niet samengaat met die van moslims. De bezorgdheid van de autochtone bevolking spitst zich het meest toe op de positie van moslimvrouwen, die in hun ogen te weinig vrijheden krijgen, terwijl Turken en Marokkanen vooral problemen zien in het gebrek aan wederzijds respect voor elkaars cultuur. De helft van de Turken en een op de drie Marokkanen is van mening dat Nederlandse vrouwen teveel vrijheden hebben. Een allochtone partner voor het eigen kind is voor drie van de vier autochtonen bezwaarlijk, maar ook onder Turken en Marokkanen wordt - veel meer dan onder andere allochtone groepen - een autochtone partner voor het kind als onwenselijk gezien.

Al sinds begin jaren negentig oordeelt een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking negatief over de aanwezigheid van allochtonen. De helft van de bevolking vindt dat er teveel allochtonen in Nederland zijn en woont liever niet naast allochtone buren. Over het geheel bezien lijken opvattingen over de multi-etnische samenleving negatiever te zijn geworden, met name ten aanzien van moslims. Andersom heerst onder veel - met name hoogopgeleide - moslims zorg over het maatschappelijke klimaat.