Persbericht: Blijvend in balans
Aantal helpers en ontvangers van informele zorg tot 2020 in evenwicht
- Tussen 2006 en 2020 zal het aantal informele zorgverleners toenemen van 1,4 naar 1,6 miljoen
-
De groep helpers van 65-74 jaar groeit het snelst: van 200.000 naar 300.000.
-
Ruimte in zorgpotentieel bij ouderen wordt nauwelijks omgezet in informele zorg.
-
78% van de zelfstandig wonende mensen met een psychische beperking denkt dat de familie geen taken van professionals kan overnemen.
-
Moeders overbruggen relatief grote afstanden in de informele zorg aan uitwonende kinderen; pas vanaf 40 kilometer wordt de kans dat zij helpen geringer.
-
Bij vrouwen met kleine kinderen gaat arbeidsdeelname ten koste van informele zorg.
-
Veel mensen zijn bereid hun verwanten bij te staan als dat nodig is; hulpvragers voelen zich echter vaak bezwaard om een beroep te doen op hun netwerk.
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Blijvend in balans. Een toekomstverkenning van informele zorg die op dinsdag 26 jl. samen met een Toekomstverkenning Vrijwillige Inzet is aangeboden aan staatssecretaris dr. M. Bussemaker van VWS. In het rapport geven dr. Alice de Boer en drs. Joost Timmermans een beeld van het toekomstig aanbod en het gebruik van informele zorg, de onbetaalde zorg die Nederlanders geven aan zieken of gehandicapten. Het rapport is opgesteld in opdracht van het ministerie van VWS.
Steeds meer oudere helpers
In 2006 hielpen 1,4 miljoen Nederlanders zieke of gehandicapte familieleden, vrienden of bekenden. Het aantal verleners van informele zorg groeit tot 2020 met 12% tot 1,6 miljoen. De omvang van de groep helpende 65-74 jarigen neemt het snelst toe, van 200.000 personen in 2006 naar meer dan 300.000 in 2020. Het valt te verwachten dat de vergrijzing van de helpers zal leiden tot meer helpers met gezondheidsproblemen. Vergeleken met het aanbod is de toename van het aantal ontvangers bescheiden: van 370.000 in 2006 naar 380.000 in 2020 (3%). De balans tussen aanbod en gebruik valt daarmee gunstig uit voor de huidige typen ontvangers van informele zorg; zij zullen gemiddeld genomen iets meer helpers tot hun beschikking hebben. Toch is een groter toekomstig aanbod geen garantie voor voldoende zorg, omdat de mensen met een onvervulde vraag naar informele zorg buiten beschouwing bleven.
Groei van het zorgpotentieel bij ouderen
In vergelijking met ouderen in 1992 hebben ouderen in 2002 meer relaties met zorgpotentieel (potentiële zorgverleners) in hun sociale netwerk. De toename in reserve komt vooral voor rekening van buren en kinderen. Toch wordt het grotere zorgpotentieel lang niet altijd benut als ouderen functionele beperkingen ontwikkelen. Zelfs de potentiële steun van kinderen wordt slechts in een minderheid van de gevallen omgezet in informele zorg. Daarom dient bij een groeiende hulpbehoefte meer aandacht uit te gaan naar het verdelen van taken over potentiële zorgverleners. Een op de zeven ouderen heeft geen enkele relatie met zorgpotentieel. Risicogroepen zijn 85-plussers, ouderen met een laag inkomen en ouderen zonder partner of kinderen. Deze mensen zouden opgespoord kunnen worden door ouderenadviseurs of vrijwilligers.
Extra inzet bij mensen met beperkingen gering
80% van de min of meer zelfstandig wonende mensen met een psychische of verstandelijke beperking krijgt hulp van familie en vrienden. Zij ontvangen echter vaker ondersteuning van een persoonlijk begeleider. Bijna 60% van de mensen met een verstandelijke beperking denkt dat de familie niet veel taken kan overnemen van die persoonlijk begeleider. Dit percentage ligt nog hoger (78%) bij mensen met psychische problemen. Een eventuele afname van professionele zorg zal bij deze groep direct leiden tot een tekort aan ondersteuning. Een uitbreiding en versteviging van het sociale netwerk kan dit gevaar verminderen, maar hiervoor zijn zij afhankelijk van hun persoonlijke begeleiders.
Afstand tussen verwanten potentieel knelpunt
60% van de mensen met beperkingen heeft een of meer verwanten dichtbij wonen (op maximaal vijf kilometer), bij 40% zijn dat twee of meer familieleden. Bij ruim een op de tien mensen met beperkingen wonen alle familieleden op meer dan veertig kilometer afstand.
Naarmate hulpbehoevenden en potentiële helpers dichter bij elkaar wonen wordt vaker informele zorg verleend. Daarnaast maakt de sociale afstand tussen helper en geholpene uit. Bij kinderen daalt de kans om hulpbehoevende ouders te verzorgen bij een afstand van meer dan twintig kilometer. Bij de hulp van moeders ligt de grens pas bij meer dan veertig kilometer.
Vrouwen met werk- en zorgtaken geven minder vaak zorg
Werkenden bieden in minder gevallen informele zorg dan niet werkenden, ongeacht het aantal uur dat men werkt. Vooral vrouwen met een betaalde baan en de verzorging en opvoeding van jonge kinderen verlenen minder frequent informele zorg. De verwachting is dat de arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen en die van oudere vrouwen verder zal toenemen, waardoor er minder tijd overblijft voor informele zorg. Zo'n verdringing is bijvoorbeeld te voorkomen door flexibilisering van werktijden. Mensen die arbeidsuren zelf kunnen indelen hebben minder problemen bij het combineren van arbeid en zorg. Ander opties zijn: overname van taken (door inzet van gesubsidieerde zorg bij de hulpbehoevende of kinderopvang in het huishouden van de informele zorgverlener) en vrijstelling van werk door zorgverlof.
Bereidheid om te geven is groter dan te ontvangen
Nederlanders voelen zich sterk verplicht om verwanten bij te staan. Ongeveer 40% vindt dat volwassen kinderen hun zieke ouders moeten verzorgen. Deze uitkomst past goed bij de nadruk van de overheid op 'eigen verantwoordelijkheid' voor het sociale netwerk, toch is het niet vanzelfsprekend dat deze grote hulpbereidheid strookt met de voorkeuren van de ontvangende partij. Veel mensen met beperkingen voelen zich bezwaard om hun netwerk om praktische steun te vragen, bijvoorbeeld omdat ze merken dat dit negatieve gevolgen voor hun helpers kan hebben. Om die reden geven zij de voorkeur aan professionele zorg. Zo is 78% van de Nederlanders het eens met de stelling dat de zorg voor hulpbehoevende ouderen meer een taak voor de overheid is dan voor familie.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks