logo

Persbericht: Sociale Staat van Nederland 2007

05 februari 2009


Het gaat weer beter met de Nederlanders

  • Het aandeel Nederlanders dat tevreden is met de regering nam toe van 48% in 2004 tot 67% in 2006. In 2006 gaf 82% van de Nederlanders aan 'gelukkig' of 'zeer gelukkig' te zijn.

  • De arbeidsparticipatie van de beroepsbevolking (het aandeel van de Nederlanders van 15-65 jaar dat een baan heeft) steeg van 63% in 2004 tot 65% in 2006. Onder vrouwen steeg dit percentage tot 56% in 2006, onder ouderen tot 42%.

  • In de groep Nederlanders die geboren is in de jaren 1975-1979 is het percentage hoogopgeleide vrouwen hoger dan dat van de mannen (in 2005 mannen: 32%, vrouwen: 38%).

  • In 2006 was 64% van de bevolking van mening dat 'de criminaliteit de laatste tijd toeneemt', in 1995 was dat aandeel nog 86%.

  • In 2006 vond 41% van de bevolking dat er teveel buitenlanders in Nederland wonen. In 2000 was dit aandeel nog 51%.

  • De slagingspercentages voor het eindexamen zijn in het havo gestegen van 84% in 1995 tot 90% in 2005, in het vwo van 87% in 1995 tot 94% in 2005.

  • Tussen 1995 en 2005 daalde de gemiddelde 'echte' televisiekijktijd van 12,4 naar 10,8 uur per week. De tijd die Nederlanders wekelijks achter de computer zitten (online en offline), steeg in die periode van 0,9 naar 3,8 uur.

  • Gezinsvormende huishoudens beschikken steeds later over een eengezinshuis; ouderen blijven langer dan voorheen in eengezinshuizen wonen

Dit zijn enkele belangrijke punten uit de SCP-publicatie De Sociale Staat van Nederland 2007 , die op donderdag 13 september jl. is verschenen. Het tweejaarlijkse rapport, onder redactie van adjunct-directeur dr. Rob Bijl, drs. Jeroen Boelhouwer en drs. Evert Pommer, geeft een beeld van de sociale situatie in Nederland. Aan de hand van kerncijfers worden de ontwikkelingen van de laatste tien jaar geanalyseerd op de terreinen onderwijs, arbeid, inkomen, gezondheid, vrijetijdsbesteding, participatie, veiligheid en wonen. Verder wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de publieke opinie en het politieke klimaat, de leefsituatie van de Nederlanders, het gebruik dat Nederlanders maken van voorzieningen en de waardering die zij voor deze voorzieningen hebben. De kerncijfers worden afgezet tegen de beleidsdoelstellingen van de overheid.


Nederlanders meer tevreden met de regering

In 2006 kreeg de 'tevredenheid met de Nederlandse samenleving' gemiddeld een rapportcijfer 6,5. In 2004 was dat nog 6,2. De afgelopen tien jaar is dat cijfer nog nooit zoveel gestegen in zo'n korte periode. In 2006 gaf verder 82% van de Nederlanders aan 'gelukkig' of 'erg gelukkig' te zijn.

De tevredenheid van de Nederlandse bevolking met de eigen regering is sterk toegenomen. Was in 2004 nog maar 48% van de Nederlanders tevreden met de regering (in 1998 was dit 80%), eind 2006 was dat aandeel van de bevolking weer gestegen naar 67%. Ook de steun voor hogere overheidsuitgaven nam toe, van 14% in 1995 naar 30% in 2006.


In De Sociale Staat van Nederland 2005 werd nog gerapporteerd over toenemende maatschappelijke ongelijkheid en de verslechterende leefsituatie van grote groepen in de samenleving. Verder was er sprake van een afkalvend vertrouwen van veel burgers in de samenleving, in de overheid, in de rechtsstaat en in de eigen toekomst. In 2007 hebben de Nederlanders de weg omhoog uit het dal van de politieke en economische malaise weer gevonden.


Aanspreken op verantwoordelijkheid

De Nederlandse burger is minder meegaand geworden. Nederlanders zijn meer dan twee jaar geleden van mening dat mensen - en dan vooral de medeburgers, 'de anderen' dus- aangesproken moeten worden op hun verantwoordelijkheden. Er wordt minder getolereerd of gedoogd. Of het nu gaat om handhaving van wet- en regelgeving, om de eigen verantwoordelijkheid van migranten om zich de Nederlandse taal eigen te maken, om het bestrijden van overlast en criminaliteit, of om de bescherming van kinderen in bedreigende (gezins)omstandigheden, de burgers willen dat de touwtjes strakker worden aangetrokken.

Zij vinden dat vooral een taak van de overheid. In zekere mate is daarmee de idee van de 'maakbare' samenleving weer teruggekomen. Vroeger betekende dat verbetering van de materiële omstandigheden en van het welzijn van de burgers, nu gaat het om het bewaken en het versterken van de waarden en normen in de samenleving. Het privédomein van de burgers, zoals de opvoeding van de kinderen, is daarvan niet uitgezonderd. De roep is sterker geworden om een overheid die zich actief bemoeit met het welbevinden en de toekomst van kinderen en jeugdigen in kwetsbare omstandigheden.


Pieken en dalen in vertrouwen

De fluctuaties in vertrouwen en wantrouwen van burgers zijn aanzienlijk sterker - en lijken ook steeds sterker te worden - dan de mate waarin de feitelijke sociale en economische situatie zich wijzigt.

De psychologische en 'emotionele' factor, zoals we die kennen bij de aandelenbeurzen, zien we steeds sterker terug in de reacties van burgers in het alledaagse leven. Daarnaast is er een behoorlijk grote - en zoals het er nu naar uitziet blijvende - minderheid van de bevolking die ontevreden en wantrouwend is ten opzichte van de overheid, moeite heeft met de verschraling van de verzorgingsstaat, moeite heeft met de verkleuring van Nederland en bovendien van mening is dat zijn stem niet gehoord wordt.


Vrijheid van meningsuiting beschermen

Een ander opvallend fenomeen is het toegenomen belang dat de burgers hechten aan het beschermen van de vrijheid van meningsuiting. Door de jaren heen is deze doelstelling altijd door ongeveer 45% van de bevolking genoemd als één van de vijf belangrijkste nastrevenswaardige zaken. Sinds 2004 echter wordt de bescherming van dit grondrecht door 55% van de burgers als de belangrijkste politieke doelstelling beschouwd.


Sociale betrokkenheid blijft op peil

De Nederlandse samenleving individualiseert, maar dat betekent niet dat de burgers steeds meer langs en naast elkaar leven. De meest recente gegevens laten een genuanceerder beeld zien. Niet zozeer de mate van betrokkenheid van burgers of de sociale samenhang neemt af, maar de wijze waarop mensen samen of voor elkaar dingen doen is zich aan het wijzigen. De Nederlanders willen niet meer zo gebonden zijn aan vaste tijden of wekelijkse verplichtingen, maar naar eigen behoefte bepalen hoe intensief en hoe frequent zij zich inzetten voor anderen.

Kerken, en in mindere mate vakbonden en politieke partijen, hebben moeite het aantal leden op peil te houden. Hoewel in Nederland uiteenlopende vormen van maatschappelijke participatie, waaronder het vrijwilligerswerk, lange tijd een stabiel beeld vertoonden, suggereren verschillende onderzoeken voor de afgelopen jaren een afname.


Nederlanders tussen de 20 en 65 jaar zijn in 2005 per week gemiddeld drie uur meer kwijt aan zakelijke en huishoudelijke verplichtingen dan in 1995. De omvang van hun vrije tijd daalde daardoor in die periode van 45,8 uur naar 42,1 uur. 16% van de Nederlanders vindt dat zij over onvoldoende vrije tijd beschikken.

Nederlanders besteden sinds 1995 ruim een uur minder aan sociale contacten, maar dit betekent niet dat zij minder vriendschapsrelaties onderhouden of dat de contacten als oppervlakkiger worden ervaren.


Zorgen over segregatie

In 2000 was 51% van de Nederlanders van mening dat er te veel mensen met een andere nationaliteit in Nederland woonden. Een zelfde percentage had er moeite mee migranten als buren te krijgen. Tegen de verwachting in zijn deze percentages in 2006 gedaald tot 40%. Uit veel onderzoek blijkt dat de weerstand tegen allochtonen niet van de laatste jaren is. In vergelijking met andere Europese landen scoort Nederland in dit opzicht overigens vrij gemiddeld.


Stijging opleidingsniveau

De aanhoudende groei van de onderwijsdeelname resulteert in een voortdurende stijging van het opleidingsniveau van de volwassen bevolking. De opleidingsachterstand van vrouwen op mannen is inmiddels omgeslagen in een voorsprong. Bij de lichting die geboren is in de jaren 1975-1979 is het percentage hoogopgeleide vrouwen hoger dan dat van de mannen (mannen: 32%, vrouwen: 38%).

Daarnaast maken bij de minderheden vooral de Turken en Marokkanen een inhaalslag. De grote achterstand die zij van oudsher hadden, nam flink af, vooral dankzij een vermindering van het aantal laagopgeleiden. Niettemin is het verschil met autochtone volwassenen en ook met de Surinaamse en Antilliaanse groep nog groot.


Kwaliteit onderwijs bedreigd

De laatste tijd worden steeds vaker zorgen geuit over het dalende kennisniveau onder jongeren. Er wordt vooral gewezen op negatieve effecten van enkele recente onderwijsvernieuwingen.

Daarnaast vormen ook het dreigende tekort aan leraren en de verwachte daling van hun opleidingsniveau, zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs, een bedreiging voor de kwaliteit van het onderwijs. Met name in het basisonderwijs lijkt de situatie problematisch. Het rekenniveau daalt, vooral ten aanzien van basisbewerkingen als optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Maar ook de taalvaardigheid laat te wensen over. Maar liefst een kwart van de leerlingen verlaat de basisschool zonder behoorlijk te kunnen lezen.


Voortijdig schoolverlaten neemt langzaam af

In het voortgezet onderwijs nam de deelname aan het havo/vwo in tien jaar toe van bijna 35% tot ruim 40%. Tegelijkertijd groeide ook het percentage kinderen in het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs van bijna 11% tot ruim 16%.

Steeds meer leerlingen met beperkingen volgen met een 'rugzakje' gewoon onderwijs; maar toch nam ook de deelname aan het speciaal onderwijs (+ 49%) en het voortgezet speciaal onderwijs (+108%) in de afgelopen tien jaar sterk toe.

In het havo en het vwo zijn sinds de invoering van de vernieuwde tweede fase (profielen en studiehuis) de slagingspercentages voor het eindexamen duidelijk toegenomen: in het havo van 84% in 1995 tot 90% in 2005, in het vwo van 87% in 1995 tot 94% in 2005.

Ruim een kwart van de basisscholen in de vier grote steden is een 'zwarte' school (meer dan 80% allochtone achterstandsleerlingen). Het aantal 'zwarte' scholen is in de grote steden de afgelopen jaren niet verder gegroeid.

Het totale aantal voortijdige schoolverlaters neemt langzaam af, maar niet snel genoeg om de EU-doelstelling van een halvering in 2010 te halen.


Besteedbaar inkomen van huishoudens blijft achter

Het economisch tij zit weer mee. In de periode 2000 t/m 2005 groeide het nationale inkomen met ruim 1% per jaar, in 2006 lag de groei met 4% aanzienlijk hoger. Omdat een groter deel van het nationaal inkomen de afgelopen jaren naar bedrijven en de overheid is gegaan hebben de huishoudens tussen 2001 en 2005 te maken gehad met een achteruitgang in besteedbaar inkomen van in totaal gemiddeld 1%. Een deel van de achterblijvende inkomensgroei hebben zij gecompenseerd door minder te sparen of meer schulden aan te gaan.

Deze ontwikkelingen hebben overigens nauwelijks invloed gehad op de inkomensverdeling. De inkomensongelijkheid in Nederland is de afgelopen jaren opmerkelijk stabiel gebleken.

Het profijt dat middeninkomens hebben van publiek gefinancierde diensten ('het profijt van de overheid') bleef met circa 4.000 euro in 2003 duidelijk achter bij dat van de lagere inkomens en de hogere inkomens, die ruim 6.000 euro bij hun besteedbaar inkomen konden bijtellen. Eénoudergezinnen, die tot de groep met de laagste inkomens behoren, hadden met 11.500 euro per jaar het meest profijt van de overheid.


Arbeidsdeelname stijgt, maar niet even sterk bij alle groepen

Met de economische groei is ook de arbeidsparticipatie gestegen. Tussen 1996 en 2002, ten tijde van de hoogconjunctuur, steeg de netto participatiegraad van 59% tot 65%. De recessie vanaf 2002 ging gepaard met een daling tot 63% in 2004 en 2005. In 2006 steeg het aandeel actieve deelnemers aan het arbeidsproces weer en werd hetzelfde niveau bereikt als in 2002 (65%). Daarmee werd in 2006 het streefcijfer van de overheid met 1 procentpunt overtroffen. In het achterliggend decennium steeg de nettoparticipatie van vrouwen met 11 procentpunten, tot 56% in 2006. Tussen 2002 en 2005 was er, anders dan bij veel andere groepen, geen sprake van een afname.

De arbeidsdeelname van ouderen (55-64 jaar) steeg vanaf 1996 continu. In dat jaar bedroeg hun nettoparticipatie 26%, in 2006 is dit opgelopen tot 42%. Deze stijging, voor zowel mannen als vrouwen, is naar internationale maatstaven zeer sterk. Het overheidsdoel om 40% van alle ouderen in 2007 aan het werk te hebben, is reeds gehaald, en de stijgende lijn van de afgelopen jaren doet vermoeden dat het streefcijfer van 45% in 2010 ook zal worden bereikt.

De nettoparticipatiegraad onder niet-westerse allochtonen nam tussen 1996 en 2001 sterk toe van 40% naar 50%. Daarna daalde de participatiegraad weer tot 47% in 2003 en bleef constant tot en met 2006. Ondanks de stijging sinds het midden van de jaren negentig blijft de participatie van deze groep dus nog sterk achter bij het algemeen gemiddelde.

In 1995 werkte bij ruim 53% van de paren beide partners. In 2005 was dat al ruim 63% van de paren. Van de vrouwen werkt een grote meerderheid in deeltijd. Onder tweeverdieners vinden mannen slechts zeer geleidelijk de weg naar deeltijdarbeid: van 4% in 1995 naar 7% in 2005.

Het aantal uitkeringen was in 1995 en 2006 vrijwel gelijk (circa 4 miljoen). Dit is het resultaat van een toenemend aantal AOW-uitkeringen (bijna 2,4 miljoen) en een dalend aantal WW-, WAO- en bijstandsuitkeringen.


Ongezonde leefstijlen

80% van de Nederlanders zegt gezond te leven en zich (zeer) gezond te voelen. Dat aandeel is de laatste tien jaar constant gebleven. 'Lekker in m'n vel zitten' (60%) is een sterkere motivatie om alert op de eigen gezondheid te zijn dan 'zo lang mogelijk gezond blijven' (24%).

Wat betreft de leefstijlen van mensen is het beeld niet onverdeeld gunstig. Het percentage niet-rokers is in de afgelopen tien jaar toegenomen tot 70%, maar blijft vanaf 2004 constant.Het streven van de overheid om het percentage rokers eind 2007 teruggebracht te hebben tot 25% lijkt niet gehaald te worden.

Van de 15-17-jarigen houdt slechts een derde deel zich aan de richtlijnen voor verantwoord alcoholgebruik voor zijn of haar leeftijdsgroep. Het zogenoemde binge drinking (per keer vijf of meer glazen) nam tussen 2003 en 2005 zelfs sterk toe. Ook 65-plussers en mensen met een laag inkomen vertonen toenemend ongezond drinkgedrag.

Iets meer dan de helft van de bevolking voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen, dat is een kleine stijging sinds 2001. Bijna de helft van de Nederlanders van 20 jaar en ouder heeft overgewicht - van de mannen 51%, van de vrouwen 42%. Één op de negen is zelfs veel te dik en heeft ernstig overgewicht of obesitas.

De gemiddelde Nederlandse levensverwachting bij geboorte blijft licht stijgen, maar deze ligt voor hoogopgeleiden hoger dan voor laagopgeleiden. De sociaal-economische verschillen in ervaren gezondheid tussen laag- en hoogopgeleiden nemen toe.


Besteding van de vrije tijd

De omvang van de vrije tijd is voor werkenden sinds 1995 geslonken. Opmerkelijk is dat de deelname aan sport en aan cultuur in die periode toch is toegenomen.

De organisatiegraad van de vrijetijdsbesteding geeft sinds 1995 een vrij forse daling te zien, zowel in het percentage van de bevolking dat in de sfeer van de vrije tijd ergens bij aangesloten is, als in het aantal lidmaatschappen van georganiseerden. Het gecombineerde effect van beide aspecten komt tot uiting in het aantal lidmaatschappen per 100 personen. Dat daalde van 56 in 1995 tot 46 in 2003. Deze daling deed zich binnen alle leeftijdsgroepen voor, het sterkst onder de jongvolwassenen.

Het aandeel van de bevolking dat jaarlijks cultureel actief is, steeg van 76% in 1995 naar 80% in 2003. Vooral populaire cultuuruitingen als musical en film zaten in de lift.

Tussen 1995 en 2005 daalde de gemiddelde 'echte' televisiekijktijd van 12,4 naar 10,8 uur per week. De tijd die Nederlanders wekelijks thuis achter de computer zitten (online en offline), steeg in die periode van 0,9 naar 3,8 uur.


Veiligheid: minder criminaliteit, minder onveiligheidsgevoelens

De Nederlandse bevolking is in 2006 geconfronteerd met naar schatting 5,6 miljoen delicten. Vanaf 2002 tekent zich een daling van de totale criminaliteit af. Dit geldt met name voor vermogensdelicten, hoewel ook de jarenlange stijging van geweldsdelicten volgens politieregistraties tot stilstand lijkt te zijn gekomen. Ten opzichte van 2003 vinden iets meer seksuele delicten en wat minder gevallen van mishandeling plaats. De politie heeft vanaf 2003 meer vandalisme geregistreerd.

Het aantal mensen dat slachtoffer wordt van criminaliteit, ligt op jaarbasis al lange tijd iets boven een kwart van de bevolking. De plegers van deze strafbare feiten bestaan in toenemende mate uit 12-17-jarigen en in afnemende mate uit veelplegers.

In 1995 was 86% van de bevolking van mening dat 'de criminaliteit de laatste tijd toeneemt', in 2006 was 64% deze mening toegedaan. Het aandeel mensen dat zich wel eens onveilig voelt is met 22% nog nooit zo laag geweest sinds 1995. Vrouwen, jongeren en allochtonen voelen zich nog het meest onveilig. Ook het aandeel personen dat bang is om alleen thuis te zijn (één op de zes Nederlanders) of melding maakt van onveilige plekken in de buurt (29% in 2004) vertoont een opmerkelijke daling.


Wonen: meer oog voor de kwaliteit van de wijk

Bijna 90% van de huishoudens is tevreden of zeer tevreden met de woning. Bij de verst achterliggende groepen (Marokkaanse, Turkse en 'overige niet-westerse Nederlanders') nam de tevredenheid het meest toe. Eigenwoningbezit groeit zeer snel onder Marokkaanse, Turkse en Surinaamse Nederlanders, terwijl ook hun achterstand in woonkwaliteit afneemt. Deze allochtone eigenaren-bewoners wonen vaak in de Vinex-wijken. Onder de huishoudens met lage inkomens (laagste 20% van de inkomensverdeling) neemt het eigenwoningbezit nauwelijks toe; onder huishoudens met hogere inkomens is de groei het sterkst.

De woonlasten zijn de laatste jaren flink gestegen, vooral door de bijkomende energielasten.

In de vier grootste gemeenten zijn de laatste jaren veel koopwoningen gebouwd, merendeels appartementen. Het contrast in woningvoorraad tussen stad en ommeland, waar onverminderd eengezinshuizen gebouwd werden, blijft op deze wijze gehandhaafd. Gezinsvormende huishoudens beschikken steeds later over een eengezinshuis; ouderen blijven langer dan voorheen in eengezinshuizen wonen.

Het onderhoudsniveau van de woonomgeving verbeterde in de steden (minder vervuiling en bekladding). Ook nam in de grote gemeenten de overlast voor de omwonenden iets af. De wijken met de grootste achterstand boekten de meeste vooruitgang.

De prioriteitswijken in de vier grootste gemeenten werden in 2006, na een dip in 2002, op een aantal kenmerken weer beter gewaardeerd (aantrekkelijkheid van bebouwing, omgang tussen buurtbewoners, minder angst voor beroving). In de - minder problematische - prioriteitswijken van de 27 grootste gemeenten steeg de waardering gelijkmatiger en sterker.


Met wie gaat het beter en met wie gaat het slechter?

De leefsituatie van de verschillende groepen Nederlanders is met een samenvattende maat, de leefsituatie-index, onderling te vergelijken. De index bestaat uit een combinatie van indicatoren op acht belangrijke aspecten van de leefsituatie: gezondheid, wonen, (sociale) participatie, sportbeoefening, bezit van duurzame consumptiegoederen, mobiliteit, vrijetijdsactiviteiten en vakantie.

De gemiddelde score op de leefsituatie-index steeg van 100 in 1997 naar 104 in 2006. Maar ook al is de afgelopen twee jaar de leefsituatie van de Nederlandse burgers over de gehele linie flink verbeterd, dat betekent nog niet dat er geen verschillen meer zouden zijn tussen bevolkingsgroepen. Vooral een laag inkomen draagt bij aan een ongunstige leefsituatie.

In 2006 was de leefsituatie van 65-plussers minder goed dan gemiddeld (indexscore 92), hetgeen vooral te maken heeft met de gezondheidsbeperkingen die op die leeftijd relatief veel voorkomen. Andere relatief gedepriveerde groepen zijn mensen met een inkomen onder de lage-inkomensgrens (95); niet-werkenden (96); niet-westerse allochtonen (96); en mensen met een lage opleiding (98). Bij deze laatste groepen moet de verklaring meer gezocht worden in de beperkingen die een slechte financiële situatie met zich mee brengt: onvoldoende middelen om bijvoorbeeld het lidmaatschap van een vereniging te bekostigen of om culturele activiteiten te bezoeken. Aan de andere kant is de leefsituatie beter dan gemiddeld bij 18-24-jarigen (score 108), mensen met een hoge opleiding (110), met de hoogste inkomens (bovenste 20%: 113), met een betaalde baan (109) en bij mensen met een partner (een score van 105 bij degenen zonder kinderen en 108 met kinderen).

De tussen 2002 en 2004 toegenomen ongelijkheid is in 2006 grotendeels tot staan gekomen. Sinds 2004 zijn vooral jongeren in de leeftijd van 18 - 24 jaar en ouderen boven de 75 jaar er wat hun leefsituatie betreft relatief sterk op vooruitgegaan. Een belangrijke conclusie is dan ook dat het met de meerderheid van de ouderen in Nederland goed gaat.

 

Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2007 / De sociale staat van Nederland 2007 / Persbericht: Sociale Staat van Nederland 2007

Menu