Persbericht: Meedoen met beperkingen
Meedoen met beperkingen vraagt nog veel aandacht
- Nederland telt naar schatting 1,7 miljoen zelfstandig wonende mensen met een matige of ernstige lichamelijke beperking. Bijna de helft van hen is 65 jaar of ouder.
-
De verschillen in sociale en maatschappelijke participatie tussen mensen met en zonder beperkingen zijn tussen 1995 en 2003 niet kleiner geworden
-
Eén op de zeven huishoudens met een lid met matige of ernstige beperkingen heeft behoefte aan (meer) huishoudelijke verzorging
-
Van de 15-65-jarigen met matige of ernstige beperkingen heeft 31% een betaalde baan; bij mensen zonder beperkingen is dat 76%.
-
De inkomensontwikkeling van mensen met beperkingen blijft achter bij die van mensen zonder beperkingen
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Meedoen met beperkingen. Rapportage gehandicapten 2007 die op 10 juli jl. is verschenen. In het rapport geeft dr. Mirjam de Klerk een beeld van de participatie van mensen met lichamelijke beperkingen aan de samenleving en schetst zij de ontwikkelingen die zich tussen 1995 en 2003 hebben voorgedaan. Deze tweejaarlijkse uitgave is opgesteld op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1,7 miljoen mensen met lichamelijke beperkingen
Er zijn in Nederland naar schatting 1,7 miljoen zelfstandig wonende mensen met een matige of ernstige lichamelijke beperking. Dit zijn mensen die veel moeite hebben met het verrichten van dagelijkse handelingen of deze helemaal niet meer zelf kunnen uitvoeren. Bijna de helft van hen is 65 jaar of ouder. Ongeveer 1,5 miljoen mensen hebben motorische beperkingen (beperkingen aan het bewegingsapparaat), circa 430.000 personen visuele beperkingen en 360.000 mensen auditieve beperkingen. Mensen kunnen op verschillende terreinen beperkingen hebben.
Verschillen in sociale en maatschappelijke participatie niet kleiner geworden
Mensen met lichamelijke beperkingen nemen minder deel aan cultuur, recreatie, sport, vrijwilligerswerk en informele hulpverlening dan mensen zonder beperkingen, ook als rekening wordt gehouden met leeftijdsverschillen tussen degenen zonder en met beperkingen. Zo bezoekt 13% van de mensen met ernstige beperkingen minimaal eens per jaar een museum tegen 38% van de mensen zonder beperkingen. Tussen 1995 en 2003 zijn de verschillen tussen mensen met en zonder beperkingen niet groter of kleiner geworden.
Het vervoer wordt als een van de knelpunten genoemd. Hierbij gaat het dan bijvoorbeeld om de geringe flexibiliteit van het collectief vervoer (regiotaxi). In 2005 kregen ruim 500.000 mensen een vergoeding voor het collectief vervoer, van wie er ongeveer 100.000 een aanvullende vergoeding kregen.
Eén op de zeven huishoudens met een lid met matige of ernstige beperkingen heeft behoefte aan (meer) huishoudelijke verzorging
Ruim een derde van de zelfstandig wonende huishoudens met een lid met matige of ernstige beperkingen krijgt huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging of verpleegkundige hulp. Vooral huishoudelijke verzorging komt veel voor. 61% ontvangt geen hulp. Dit zijn vooral samenwonenden en relatief jonge mensen.
Ongeveer één op de zeven huishoudens met een lid met matige of ernstige beperkingen heeft behoefte aan (meer) huishoudelijke verzorging. De meesten van hen krijgen wel hulp, maar vinden deze onvoldoende. Vooral alleenstaanden en betrekkelijk jonge huishoudens (18-54-jarigen) hebben behoefte aan (meer) hulp bij de huishoudelijke verzorging. Bij het niet-gebruik van voorzieningen spelen financiële redenen een rol, maar ook belemmeringen bij het aanvragen van zorg. Een groot aantal mensen met matige of ernstige beperkingen weet niet hoe ze voorzieningen moeten regelen of heeft moeite met het uitvoeren van administratieve handelingen. Ongeveer een kwart van de mensen met matige of ernstige beperkingen geeft echter aan dat er niemand is die hen goed kan adviseren bij het zoeken naar de juiste voorziening.
Van de 15-65-jarigen met matige of ernstige beperkingen heeft 31% een betaalde baan
De arbeidsparticipatie van de 15-64-jarigen met matige of ernstige beperkingen is 31%, die van 15-64-jarigen met lichte beperkingen 50%. Van de mensen zonder beperkingen werkt 76%. Werknemers met beperkingen werken relatief vaak in een deeltijdbaan (53% van de mensen met matige of ernstige beperkingen en 39% van de mensen zonder beperkingen). Van de niet-werkenden met beperkingen zou 41% graag willen werken, maar ziet hun gezondheid als een belemmering om werk te vinden.
De arbeidsparticipatie van degenen die volgens eigen opgave gezondheidsbeperkingen met betrekking tot werken ervaren is tussen 2002 en 2005 afgenomen, van 44% naar 39%, zo blijkt uit CBS-onderzoek.
Inkomensontwikkeling van mensen met beperkingen blijft achter
In 2003 hadden de 18-64-jarigen zonder beperkingen een gemiddeld bruto jaarinkomen van 35.500 euro en degenen met matige of ernstige beperkingen van 21.800 euro (waarbij degenen zonder inkomen buiten beschouwing zijn gelaten). Dit verschil is voor een heel groot deel het gevolg van het feit dat mensen met beperkingen vaker van een uitkering moeten rondkomen. Tussen 1995 en 2003 stegen de gemiddelde inkomens van mensen zonder beperkingen meer (+15%) dan van mensen met matige of ernstige beperkingen (+2%). Binnen deze laatste groep zijn er echter grote verschillen in de ontwikkeling van de gemiddelde inkomens. Ook bij hen stegen de inkomens van de werkenden.
Ongeveer 23% van degenen met beperkingen zegt spaarmiddelen aan te spreken of schulden te moeten maken (bij de algehele bevolking is dat 7%). Het inkomen wordt als belangrijkste knelpunt genoemd door degenen met matige of ernstige beperkingen.
De deelname aan zowel het speciaal onderwijs als de ambulante begeleiding in regulier onderwijs is toegenomen
Sinds 2003 kunnen ouders van leerlingen met beperkingen kiezen of hun kind naar het speciaal onderwijs gaat of met een leerlinggebonden financiering ('het rugzakje') naar het reguliere onderwijs. Het aantal leerlingen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen dat met ambulante begeleiding een reguliere school bezoekt, nam tussen 2000 en 2005 toe met 97% in het basisonderwijs en met 146% in het voortgezet onderwijs. Echter, ook het aantal leerlingen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen in het speciaal onderwijs nam in diezelfde periode toe, met 10% in het basisonderwijs en met 39% in het voortgezet onderwijs. In 2005 gingen nog altijd vier keer zoveel leerlingen naar het speciaal onderwijs (ruim 35.000 leerlingen; dit is zonder de leerlingen met gedragsproblemen; zij behoren niet tot de groep mensen met beperkingen) als met ambulante begeleiding naar het reguliere onderwijs.
De rugzakregeling leidt nog tot problemen. 40% van de ouders moest twee tot vier scholen bezoeken voordat hun kind werd geplaatst. Slechts een kwart van de ouders vindt de toegang tot het reguliere onderwijs verbeterd, een derde vindt het verslechterd. Ook het ontbreken van voldoende kennis en informatie, zowel bij ouders als bij scholen, vormt een probleem. De meeste scholen onderschrijven de uitgangspunten van de rugzakregeling. Toch heeft een op de drie scholen in het voortgezet onderwijs en een op de tien in het basisonderwijs wel eens een rugzakleerling geweigerd.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks