Persbericht: Toekomstverkenning vrijwillige inzet
Vrijwilligersaanbod blijft komende jaren vrij stabiel
-
Evenals in 2005 zal in 2015 ongeveer een kwart van de bevolking regelmatig vrijwilligerswerk verrichten.
-
Ontkerkelijking heeft negatieve gevolgen voor de geneigdheid om vrijwilligerswerk te doen, terwijl de stijging van het opleidingspeil hier weer een positieve invloed op heeft.
-
Vrijwillige inzet wordt steeds meer een individuele keuze waaraan ook voorwaarden worden verbonden. Organisaties zullen hierop moeten inspelen.
-
Onzekere beleidsfactoren zijn de Wet maatschappelijke ondersteuning en de uitwerking van de maatschappelijke stages.
-
Naast nieuwe vormen van vrijwilligerswerk (vrijwillige inzet) worden meer verplichtende vormen van maatschappelijke inzet belangrijker.
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Toekomstverkenning vrijwillige inzet 2015 , die op dinsdag 26 juni jl. samen met een toekomstverkenning informele zorg is aangeboden aan staatssecretaris dr. M. Bussemaker van VWS. In het rapport geven prof.dr. Paul Dekker, dr. Joep de Hart en drs. Laila Faulk een beeld van de toekomstige ontwikkeling van het vrijwilligersaanbod in Nederland. Voor de verkenning zijn diverse achtergrondstudies gemaakt, die alle beschikbaar zijn via de website van het Sociaal en Cultureel Planbureau ( http://www.scp.nl/ ) of later dit jaar zullen verschijnen in het vijfde en laatste deel van de SCP-serie ' Civil society en vrijwilligerswerk'.
De verkenning is gemaakt op verzoek van het ministerie van VWS
Vrijwillige inzet anno 2015
De economische waarde van het vrijwilligerswerk in 2005 kan worden geschat op ruim acht miljard euro (vierhonderdduizend onbetaalde voltijdbanen op minimumloonbasis). Zowel in 2000 als in 2005 verrichtte ongeveer een kwart van de bevolking regelmatig vrijwilligerswerk. Voor 2015 wordt eenzelfde aandeel verwacht. Wel zal een verdere concentratie van het vrijwilligerswerk bij ouderen plaatsvinden: ouderen doen relatief vaker vrijwilligerswerk en ze besteden daaraan ook meer tijd.
Vergeleken met andere Europese landen kent Nederland een relatief hoge deelname aan vrijwilligerswerk, terwijl binnen Nederland de deelname onder allochtone groepen lager is vergeleken met die van autochtonen.
Ontwikkelingen
De ontkerkelijking heeft negatieve gevolgen voor de geneigdheid om vrijwilligerswerk te doen, terwijl de stijging van het opleidingspeil hier weer een positieve invloed op heeft. Andere ontwikkelingen, zoals vergrijzing, verkleuring en professionalisering leiden tot uiteenlopende effecten.
De voortgaande individualisering zal de positie van traditionele organisaties, die zijn gebaseerd op langdurige groepsloyaliteit, verder verzwakken. In het ontzuilde Nederland is de band met organisaties losser geworden. Het verenigingsleven kan minder vanzelfsprekend uitgaan van de loyaliteit van zijn achterban en minder dan vroeger beleven mensen hun interesses per definitie onder de paraplu van een organisatie.
De nieuwe vrijwilliger en de organisatie van vrijwilligerswerk
Vvrijwillige inzet wordt steeds meer een individuele keuze. Onderwerpen spreken tot de verbeelding of belangen worden herkend en van daaruit kiest men soms voor een organisatie. Is men bereid er tijd in te investeren dan gebeurt dat met bepaalde restricties. Er is ook veel informele burgerparticipatie, die vaak moeilijk te bundelen (of te verzilveren) blijkt in de vorm van een organisatie.
De ontwikkelingen stimuleren veranderingen in de wijze waarop het vrijwilligerswerk wordt georganiseerd en de wervingstrategie die daarbij kan worden gevolgd. Organisaties zullen meer open moeten staan voor hun omgeving en meer bereid zijn tot allerhande experimenten, zoals het ontwikkelen van netwerken waarin vrijwilligers kunnen doorstromen (al naargelang de levensfase en interesse van dat moment). Ze zullen moeten zoeken naar meer mogelijkheden tot circuleren (bijvoorbeeld via korte contracten) of het aanbieden van individuele trajecten en een grotere diversiteit (met minder gerichtheid op de 'doorsnee vrijwilliger'). Verder zullen ze meer moeten gaan investeren in scholing en maatschappelijke vaardigheden.
Beleid van organisaties en overheidsbeleid
De groeiende eisen aan vrijwilligersorganisaties leiden tot een tendens naar professionalisering. Deze komt onder meer naar voren uit de groeiende aandacht voor vrijwilligersmanagement en het inschakelen van (betaalde) professionals, zoals in de vorm van training- en adviesbureaus voor vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties. Het belang van fondsen en van het bedrijfsleven nemen toe, zowel vanuit het oogpunt van financiering als wat betreft de eisen die daaraan worden verbonden (in de vorm van accountability, transparantie, output etc.).
Wat het overheidsbeleid betreft wordt vanuit de organisaties aandacht gevraagd voor waardering en erkenning van de intrinsieke waarde van vrijwilligerswerk ('instrumentalisering' wordt als een gevaar gesignaleerd) en voor een verdere vermindering van belemmerende regelgeving. Een belangrijke onzekere factor is de uitwerking van de Wet maatschappelijke ondersteuning: vrijwilligerswerk moet aandacht krijgen van lokale overheden, maar die zouden geneigd kunnen zijn om vrijwillige zorg te bevorderen ten koste van ander vrijwilligerswerk. Daarnaast zijn de maatschappelijke stages nog een bron van onzekerheid: mogelijk een bron van extra menskracht en van toekomstige nieuwe vrijwilligers, maar waarschijnlijk ook een zware last in de sfeer van organisatie en begeleiding.
Nieuwe vormen van vrijwillige inzet
Naast nieuwe vormen van vrijwillige inzet en collectieve actie (informele burgerinitiatieven, internetactiviteiten) ontwikkelen zich vormen van 'geleid vrijwilligerswerk'. Deze laatste worden vaak georganiseerd vanuit de overheid en het bedrijfsleven (werknemersvrijwilligerswerk). Ze hebben soms een vrij dwingend karakter (maatschappelijke stages). Bij substantiƫle betaling en verplichting kunnen de begrippen vrijwilligerswerk en vrijwillige inzet beter vermeden worden. De vermenging van vrijwilligheid met verplichtingen en vergoedingen past in een algemenere trend van vervaging van de grenzen van de civil society. In dat perspectief is het wenselijk om in de toekomst niet slechts aandacht te besteden aan de marges van vrijwilligerswerk, maar omgekeerd ook aan het vrijwillig initiatief in de markt en bij de overheid.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks