Direct naar (in deze pagina):inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2007 / Vertrouwen in de rechtspraak nader onderzocht / Persbericht: Vertrouwen in de rechtspraak

Persbericht: Vertrouwen in de rechtspraak

Vertrouwen in de rechtspraak daalt niet

  • Het vertrouwen in de rechtspraak in Nederland schommelt, maar daalt niet. Eind 2006 had 31% van de bevolking (heel) veel vertrouwen; 61% geloofde in de integriteit van rechters.
  • Het vertrouwen is internationaal hoog.
  • Het hangt sterk samen met vertrouwen in andere instituties en met het opleidingsniveau. Affaires hebben een negatief effect, maar dat kan van korte duur zijn.

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Vertrouwen in de rechtspraak nader onderzocht van prof. dr. Paul Dekker en drs. Tom van der Meer op basis van onderzoek van diverse enquêtes. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de Raad voor de rechtspraak.

Geen dalend vertrouwen

Cijferreeksen uit vijf nationale en internationale enquêtes tonen afwijkende ontwikkelingen in 'vertrouwen in de rechtspraak' en veel fluctuaties, maar geen dalende trend. De stelling 'In ons land kan een ieder erop rekenen dat de rechter zijn of haar zaak onbevooroordeeld zal behandelen' werd in 1980 door 55% van de Nederlanders onderschreven en in 2006 door 61%. De opvatting dat rechters hun werk goed doen schommelt volgens een ander onderzoek in de periode 1999-2005 tussen 56 en 64%.

Internationaal hoog

Het vertrouwen in de rechtspraak is in Nederland hoog in vergelijking met andere Europese landen: met 61% 'geneigd te vertrouwen' staat ons land in de EU in 2005 op een gedeelde vierde plaats met Luxemburg, na Denemarken (81%), Finland (76%) en Oostenrijk (74%) en ver voor de hekkensluiters Litouwen (29%) en Polen (23%). Binnen Nederland is het vertrouwen in de rechtspraak in de regel lager dan in de politie en het leger en in de media, maar hoger dan in politieke instituties.

Achtergronden van vertrouwen

Mensen die vertrouwen in de rechtspraak te hebben, zijn meer geneigd om ook andere maatschappelijke en politieke instituties te vertrouwen. Hogeropgeleiden hebben meer vertrouwen in de rechtspraak dan lageropgeleiden en mannen hebben dat iets meer dan vrouwen. In achterstandswijken is het vertrouwen minder dan in gegoede wijken, maar het verschil is niet groot en geheel te herleiden op individuele kenmerken van de bewoners. Er is geen negatief effect van de omgeving aantoonbaar. Ondervraging van dezelfde personen in de periode april - december 2005 maakt aannemelijk dat affaires (in deze periode de media-aandacht voor justitieel falen bij de Schiedammer parkmoord) een negatief effect hebben op vertrouwen, maar dat dit effect van korte duur is als het niet wordt gevoed door nieuwe affaires.


Een probleem van het zonder verdere toelichting vragen naar 'vertrouwen' in bevolkingsenquêtes is dat niet duidelijk is waarover de respondenten oordelen: integriteit, competentie, effectiviteit, een combinatie ervan of nog iets anders. Fluctuaties in ongespecificeerde metingen van vertrouwen zijn waarschijnlijk mede een gevolg van veranderingen in de associaties die het publiek heeft bij het woord 'vertrouwen'. Het verdient aanbeveling in enquêtes te vragen naar aspecten van vertrouwen, zoals integriteit, voorspelbaarheid en competentie.