Persbericht: Maten voor gemeenten 2008
Omvang gemeentelijke dienstverlening liep tussen 2002 en 2006 terug
- In 2006 bedroegen de uitgaven van gemeenten circa 38 miljard euro. Gecorrigeerd voor inflatie daalden de uitgaven in de periode 2001-2006 gemiddeld met 0,5% per jaar. In diezelfde periode liep de productie van de gemeentelijke dienstverlening terug met 1,2% per jaar. In samenhang hiermee is de relatieve kostprijs van gemeentelijke diensten in de betreffende periode met 0,8% per jaar toegenomen.
-
Na de sterke stijging van de gemeentelijke uitgaven in 2002, werd in 2003 pas op de plaats gemaakt. Het jaar 2004 stond in het teken van bezuinigingen. Ook in 2005 en 2006 was, na correctie voor de opgetreden inflatie, nog sprake van een verdere afname van de uitgaven. Daarmee reageerden de gemeentelijke uitgaven met enkele jaren vertraging op de recessie in de marktsector die reeds vanaf 2001 inzette.
-
De door gemeenten verleende of gefinancierde diensten voldoen aan vrij hoge standaarden voldoen. In de periode 2001-2006 slechts is slechts in beperkte mate sprake van een kwaliteitsverbetering.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit de SCP-publicatie Maten voor gemeenten 2008. Een analyse van de prestaties van de lokale overheid, die op donderdag 30 oktober jl. is verschenen. In het rapport geven de onderzoekers dr. Bob Kuhry, dr. Jedid-Jah Jonker, drs. Ab van der Torre en drs. Frans Knol een beeld van de uitgaven en prestaties van gemeenten in de periode 2001-2006. Het rapport biedt een verdere uitwerking en verdieping van de zes eerdere studies in deze reeks. Alle studies werden verricht op verzoek van het ministerie van BZK, dat in het kader van het Plan van Aanpak Transparantie in de financiële verhouding een beter inzicht wil krijgen in de relatie tussen taken en middelen op gemeentelijk niveau.
Gemeentelijke dienstverlening
Gemeenten leveren een breed scala aan diensten op uiteenlopende gebieden, zoals burgerlijke stand, brandweer, wegenonderhoud, onderwijs, zorg, cultuur, recreatie, bijstand, werkgelegenheid, milieubeheer, riolering, stadsreiniging, woningexploitatie, bouwvergunningen, woningdistributie, stedelijke vernieuwing en openbaar vervoer. De gemeentelijke productie op deze gebieden is gemeten met behulp van verschillende indicatoren die deels betrekking hebben op prestaties van gemeenten en deels op het gebruik van gemeentelijke diensten door burgers. De totale productie van gemeenten is vervolgens berekend met behulp van een gewogen optelling van de productie op de verschillende deelgebieden. Overigens blijft een deel van de gemeentelijke uitgaven (grondbedrijf, nutsbedrijven en havenbedrijven) in dit rapport buiten beschouwing.
Lichte daling reële uitgaven
In de periode 2001-2006 groeiden de uitgaven van gemeenten voor de onderzochte taakvelden met 1,6% per jaar tot circa 38 miljard euro in 2006. Gecorrigeerd voor de algemene toename van het prijspeil is er in deze periode sprake van een daling met gemiddeld 0,5% per jaar. 2002 was nog een jaar van sterke groei, die niet alleen tot uitdrukking kwam in de uitgaven maar ook in de omvang van het personeel. In 2003 maakten de gemeenten pas op de plaats en in 2004, 2005 en 2006 was sprake van een uitgavendaling. Daarmee reageren gemeenten (net als het Rijk) vertraagd op de conjuncturele ontwikkelingen in de marktsector, waar al in 2001 een stagnatie in de groei optrad. Ook over een langere periode - van 1995 tot 2006 - gezien is er nauwelijks sprake van een groei van de uitgaven.
Gedurende deze jaren blijven de gemeentelijke uitgaven niet alleen sterk achter bij de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP), maar ook bij de publieke uitgaven voor onderwijs, zorg en veiligheid. Dit achterblijven van de gemeentelijke uitgaven heeft in de beginjaren vooral te maken met de verzelfstandiging van een aantal gemeentelijke taken (gemeentelijke woningbedrijven, gemeentelijke verzorgingshuizen en verpleeghuizen, openbaar vervoer en openbaar onderwijs).
Voor 2007 en 2008 laten de gemeentelijke begrotingscijfers voor het eerst weer een matige groei zien.
De stijging in 2007 kan overigens vooral worden toegeschreven aan de toekenning van een nieuwe taak aan gemeenten: de verantwoordelijkheid voor de huishoudelijke zorg (WMO). In 2008 lijkt voor het eerst weer sprake te zijn van de toekenning van extra middelen voor bestaande taken.
Daling productievolume
De productie van gemeenten liep in de periode 2001-2006 gemiddeld terug met 1,2% per jaar. Overigens is deze daling deels een gevolg van de afstoting van taken. Na correctie voor toegevoegde en afgestoten taken is de gemiddelde jaarlijkse daling van het productievolume iets geringer (0,8%). Daarmee blijft de groei van de gemeentelijke productie duidelijk achter bij de gemiddelde jaarlijkse groei van de bevolking in de betrokken periode (een gemiddelde jaarlijkse toename met 0,6%). Voor 2007 en 2008 wordt wel een lichte stijging van het gemeentelijk productievolume voorzien.
Stijging relatieve kostprijs gemeentelijke dienstverlening
De relatieve kostprijs van de gemeentelijke dienstverlening vertoont een gemiddelde stijging van 0,8% per jaar. Dit betekent dat gemeentelijke diensten per jaar aanzienlijk sneller in prijs stijgen dan het gemiddelde voor een dienst of product. Deze prijsstijging bij de gemeentelijke dienstverlening wordt deels veroorzaakt door een betrekkelijk hoge incidentele looncomponent, deels door een afname van de productie per werknemer en daarnaast ook door een toename van de inzet van kapitaallasten, materiële middelen en uitbestedingskosten. Tegelijkertijd kan ook het onvolledig meten van de kwaliteit en effectiviteit van de productie een verklaring vormen voor de toename van de kostprijs. De beschikbare gegevens geven echter aan, dat de door gemeenten verleende of gefinancierde diensten aan vrij hoge standaarden voldoen, maar dat er maar in beperkte mate sprake lijkt te zijn van een kwaliteitsverbetering in de periode 2001-2006.
Enkele uitkomsten over specifieke taakvelden
- Het openbaar bestuur in enge zin, en met name het onderdeel bestuurszaken, kent een forse groei van de uitgaven die niet direct valt te relateren aan een groei van zichtbare taken.
-
Gezien de zeer sterke groei van de reële uitgaven (12% per jaar) genieten Openbare Orde en Veiligheid een hoge prioriteit.
-
De gemeentelijke uitgaven voor basis- en voortgezet onderwijs dalen gestaag als gevolg van het steeds verder op afstand plaatsen van de scholen voor openbaar onderwijs. Daardoor lopen de geldstromen in toenemende mate direct van het rijk naar de scholen, zonder tussenkomst van gemeenten.
-
De uitvoeringskosten bedragen ongeveer 15% van de totale kosten die zijn gemoeid met bijstandsverlening. De pogingen van gemeenten om het bijstandsvolume te beheersen lijken succesvol.
-
Gemeenten zijn er vooralsnog niet in geslaagd om de rijkssubsidie voor het werkdeel van de Wet werk en bijstand geheel te besteden. Er is sprake van aanzienlijke overschotten doordat de re-integratietrajecten beduidend minder kosten dan de middelen die vrijvallen door de afbouw van het gesubsidieerd werk.
Conclusies over huishoudelijke zorg
Op basis van een eerste analyse van gegevens over de overheveling van de huishoudelijke zorg (WMO) naar gemeenten in 2007 kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
-
De kostprijs van huishoudelijke hulp blijkt niet afhankelijk te zijn van de bevolkingsomvang van de gemeente, de stedelijkheid of de omvang van de geleverde huishoudelijke hulp. Dat laatste betekent dat er geen schaalvoordelen optreden.
-
De hoeveelheid huishoudelijke hulp is sterk afhankelijk van het percentage ouderen (75+), inwoners met beperkingen, bijstandsontvangers, lage inkomens, lager opgeleiden en eenpersoonshuishoudens.
-
Gemiddeld is in 2007 sprake van budgetoverschotten. Naar verwachting zullen de aanbestedingsprijzen in de toekomst echter hoger komen te liggen.
Conclusies over wijkverbetering
Als speciaal onderwerp wordt ingegaan op de "gentrification", een specifieke vorm van wijkverbetering met een belangrijke inbreng van investeringen van particulieren in de eigen woning. De analyses in het rapport tonen aan dat gentrification terecht wordt gezien als een (groot)stedelijk verschijnsel. De gentrificationgebieden in de vier grote steden onderscheiden zich van renovatiewijken in middelgrote en kleine gemeenten door een meer culturele oriëntatie, meer uitgaan en meer gebruik van voorzieningen in de eigen buurt.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks