Persbericht 'Gemeentelijk ramingsmodel kinderopvang 2008'
Ruimte voor groei in de kinderopvang
Gemeentelijk Ramingsmodel Kinderopvang 2008.
-
Eind 2008 waren er bijna 150.000 plaatsen in de kinderdagverblijven (KDV) beschikbaar voor de opvang van 0-4 jarige kinderen. Daarnaast waren er ongeveer 155.000 plaatsen beschikbaar voor buitenschoolse opvang voor kinderen van 4-12 jaar (BSO).
-
Gemiddeld zijn er voor elke 100 kinderen van 0-4 jaar 16 KDV plaatsen beschikbaar, en per 100 kinderen van 4-12 jaar 8 BSO plaatsen.
-
Het aanbod van kinderopvang vertoont forse verschillen tussen gemeenten, zelfs als gecorrigeerd wordt voor gemeentegrootte.
-
De maximale vraag naar KDV en BSO ligt circa 50% hoger dan het huidige aanbod. Bij KDV ligt de maximale vraag ongeveer 73.000 plaatsen hoger dan het huidige aanbod, bij BSO 78.000 plaatsen.
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Gemeentelijk ramingsmodel kinderopvang 2008 die op maandag 12 oktober jl. is verschenen. In het rapport geven de onderzoekers dr. Evelien Eggink en drs. Ingrid Ooms een beeld van de vraag naar kinderopvang per gemeente. Het onderzoek is een actualisering van het gelijknamige rapport uit 2002 en is opgesteld op verzoek van het Netwerkbureau Kinderopvang. De raming is gebaseerd op een door het SCP ontwikkeld model, waarmee voor elke gemeente de maximale vraag naar kinderopvang kan worden berekend. Uitgangspunt hierbij is het maximale aanbod in gemeenten met een vergelijkbare bevolkingssamenstelling.
Aanbod kinderopvang eind 2008
Eind 2008 zijn er in Nederland bijna 150.000 plaatsen in kinderdagverblijven beschikbaar. Het aantal buitenschoolse opvangplaatsen ligt op ruim 155.000 plaatsen. Voor elke 100 kinderen van 0-4 jaar zijn er gemiddeld ruim zestien KDV-plaatsen beschikbaar. Het aantal plaatsen BSO per 100 basisschool- kinderen ligt rond de tien.
Het totale aanbod BSO is ongeveer even groot als het totale aanbod KDV, maar omdat er veel meer basisschoolkinderen zijn dan 0-4 jarigen ligt het aanbod per 100 kinderen veel lager.
Grote verschillen tussen gemeenten
Het aanbod KDV en/of BSO per 100 kinderen kan per gemeente sterk verschillen. Er zijn gemeenten met geen of zeer weinig opvang per 100 kinderen, terwijl er ook gemeenten zijn met meer dan 45 KDV-plaatsen per 100 kinderen van 0-4 jaar en gemeenten met meer dan 20 BSO-plaatsen per 100 kinderen.
Hoe berekenen we de vraag?
Gemeenten die op dit moment het grootste aanbod per 100 kinderen hebben staan in de berekeningen model voor de maximale vraag die mogelijk is. Hierbij houden we rekening met kenmerken van de gemeenten en de kenmerken van de bevolking. We zien het gebruik van kinderopvang door huishoudens toenemen wanneer:
-
er geen kinderen in de andere leeftijdsgroep zijn (bijvoorbeeld basisschoolkinderen in gezinnen met 0-4 jarigen );
-
vrouwen hoger zijn opgeleid;
-
de gemeente meer stedelijk is;
-
het huishouden een tweeverdienershuishouden is;
-
het inkomen hoger is.
Groei om aan de maximale vraag te voldoen
Op basis van deze kenmerken wordt de maximale vraag naar kinderopvang berekend. Door de maximale vraag vervolgens te vergelijken met het huidige aanbod bepalen we de ruimte voor groei van de kinderopvang. Voor heel Nederland ligt de maximale vraag naar zowel KDV als BSO ongeveer 50% hoger dan het huidige aanbod. De onvervulde vraag naar KDV bedraagt 73.000 plaatsen en de onvervulde vraag naar BSO ligt op 78.000 plaatsen. In ongeveer 1 op de 5 gemeenten is het KDV aanbod voldoende om aan de (maximale) vraag te voldoen. Dat betekent dat in 4 van de 5 gemeenten het aanbod KDV tekort schiet. Sterker nog: in één op de drie gemeenten zou een verdubbeling van het KDV-aanbod nodig zijn. Het beeld bij de BSO is vergelijkbaar. Een groei van 50% lijkt veel, maar is in de afgelopen jaren bij de BSO door beleidsveranderingen wel gerealiseerd.
De resultaten geven aan in welke gemeenten nog groei verwacht kan worden, en in welke gemeenten de markt verzadigd lijkt te zijn. Ook in de situatie dat aan de maximale vraag wordt voldaan, blijven er overigens gemeenten met veel en gemeenten met weinig kinderopvang. Die verschillen komen bijvoorbeeld voort uit het feit dat in een gemeente weinig of juist veel moeders werken.
Is de berekende vraag een onder- of overschatting?
In de berekening gaan we ervan uit dat het huidige grootste aanbod maatgevend is voor de vraag. Maar is dat wel zo? Zijn vraag en aanbod in deze gemeenten wel in evenwicht? Omdat we geen informatie hebben over de wachtlijsten per gemeente (vraag groter dan aanbod), of de onderbezetting (vraag kleiner dan aanbod), is het moeilijk hierover een uitspraak te doen.
SCP-special 42, Gemeentelijk ramingsmodel kinderopvang 2008 , Evelien Eggink en Ingrid Ooms, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, oktober 2009, ISBN 978 90 377 0450 1, prijs € 13,50.
De publicatie is verkrijgbaar bij de (internet)boekhandel of te bestellen via de web-site: www.scp.nl
Voor meer informatie: drs. Kees M. Paling, Communicatie en Voorlichting, tel: 070 - 340 7256/7000,
e-mail: k.paling@scp.nl
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks