Persbericht: Kunnen alle kinderen meedoen?
Vrijetijdsactiviteiten voor veel arme kinderen te duur
Kunnen alle kinderen meedoen? Onderzoek naar de maatschappelijke participatie van arme kinderen
-
Van de 2,5 miljoen kinderen tussen 5 en 18 jaar wonen er bijna 350.000 in een 'arm' gezin (<120% van het sociaal minimum).
-
Een half miljoen kinderen tussen 5 en 18 jaar is niet 'maatschappelijk actief': zit niet op sport, muziekles, scouting etc.
-
Het percentage arme kinderen dat nergens aan deelneemt, is twee keer zo hoog als dat van niet-arme kinderen: 34% tegenover 17%.
-
Bij arme kinderen die niet 'maatschappelijk actief' zijn spelen financiële redenen drie keer zo vaak een rol als bij niet-arme kinderen: 48% tegenover 16%.
-
Financiële redenen worden veel vaker genoemd bij niet-deelname aan sport dan bij niet-deelname aan culturele activiteiten.
-
Bijstandskinderen nemen veruit de meest ongunstige positie in.
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Kunnen alle kinderen meedoen? Onderzoek naar de maatschappelijke participatie van arme kinderen , die op dinsdag 12 mei jl. is verschenen. In dit rapport beschrijft drs. Gerda Jehoel-Gijsbers de vrijetijdsbesteding ('maatschappelijke participatie') van arme en niet-arme kinderen. Veel aandacht wordt geschonken aan de vraag of de kosten van vrijetijdsactiviteiten een belemmering vormen voor deelname. Deze publicatie is de eerste van vier in het kader van het onderzoeksproject Armoede en sociale uitsluiting bij kinderen . Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opdrachtgever voor dit project. Het Ministerie van Jeugd en Gezin is eveneens bij het onderzoek betrokken.
Een eerste peiling
Het kabinet heeft aan gemeenten voor de jaren 2008 en 2009 jaarlijks 40 miljoen euro ter beschikking gesteld om de deelname van arme kinderen aan sport, cultuur en andere recreatieve activiteiten te bevorderen. Doel is het aantal kinderen dat om financiële redenen niet meedoet aan sport, cultuur of andere recreatieve activiteiten in twee jaar tijd te halveren. Om na te gaan of deze doelstelling wordt gehaald, is in 2008 een eerste peiling (nulmeting) uitgevoerd. In 2010 zal de vervolgmeting plaatsvinden. In Kunnen alle kinderen meedoen? wordt verslag gedaan van de eerste peiling waarvoor in 2008 2200 kinderen tussen 5 en 18 jaar en één van hun ouders zijn geïnterviewd. In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van de verschillen in 'maatschappelijke participatie' tussen arme en niet-arme kinderen, maar wordt nog niet ingegaan op de oorzaken van deze verschillen. Dat komt in een volgend rapport aan de orde.
Arme kinderen
Er zijn verschillende mogelijkheden om de groep arme kinderen af te bakenen. In dit onderzoek is gekozen voor een huishoudinkomen onder 120% van het sociaal minimum, omdat de meeste gemeenten deze grens hanteren in hun armoedebeleid voor kinderen. (*)Volgens deze definitie telt Nederland 343.000 arme kinderen tussen 5 en 18 jaar; dit is 14% van het totaal aantal kinderen in die leeftijdsgroep. Bij deze groep gaat het relatief vaak om niet-westerse allochtonen (130.000), eenoudergezinnen (182.000), en kinderen die wonen in een gezin met een bijstandsuitkering (132.000).
Arme kinderen participeren minder
Arme kinderen (huishoudinkomen <120% van sociaal minimum) participeren minder in georganiseerde vrijetijdsactiviteiten dan niet-arme kinderen: 34% van de arme tegenover 17% van de niet-arme kinderen doet nergens aan mee. Van de in totaal 2,5 miljoen kinderen tussen 5 en 18 jaar doet 20% (een half miljoen) nergens aan mee.
Binnen de arme groep zijn het vooral de bijstandskinderen die niet maatschappelijk participeren: 44%, terwijl dat bij de 'overig arme' kinderen 30% is. De geringere deelname komt vooral tot uiting bij sport en culturele activiteiten:
-
van de bijstandskinderen zit 44% op een sport en 12% op een culturele activiteit;
-
van de 'overig arme' kinderen zit 60% op een sport en 22% op een culturele activiteit;
-
van de niet-arme kinderen zit 77% op een sport en 26% op een culturele activiteit.
De deelname aan activiteiten van wijk-/buurthuis/gemeente, de extra-activiteiten van de buitenschoolse opvang (BSO) en de buitenschoolse activiteiten verschilt niet tussen arme en niet-arme kinderen. Aan jeugdactiviteiten georganiseerd door kerk of moskee wordt door 15% van de kinderen deelgenomen, iets vaker door arme dan door niet-arme kinderen en vaker door niet-westers allochtone dan autochtone kinderen.
Financiële redenen om niet deel te nemen
Bij arme kinderen die nergens aan deelnemen is dat in de helft (48%) van de gevallen vanwege financiële redenen; bij de bijstandskinderen onder hen is dat bij tweederde (65%) het geval. Bij de niet-arme kinderen gaat het om 16%. In totaal zijn er 66.000 arme en 52.000 niet-arme kinderen die om financiële reden niet 'maatschappelijke participeren'. Wanneer ook de kinderen daarbij worden geteld die wel ergens aan meedoen, maar vanwege financiële redenen niet ook aan iets anders kunnen deelnemen, gaat het om 124.000 arme en 122.000 niet-arme kinderen.
Sporten is populair, maar ook duur
Sporten is de meest populaire vrijetijdsactiviteit voor kinderen. Driekwart zit op een sport en als ze er niet op zitten, zouden zij dat meestal wel graag willen. Als kinderen niet sporten is dat vaker vanwege financiële redenen dan wanneer zij niet op scouting of een culturele activiteit (muziekles e.d.) zitten. Dat geldt vooral voor de bijstandsgroep. Bij 59% van de bijstandskinderen die niet sporten spelen financiële redenen een rol, terwijl dat bij de niet-arme groep 12% is.
Aan sportcontributie wordt volgens de ouders gemiddeld 326 euro per jaar per kind uitgegeven; 278 euro in de bijstandsgroep en 332 euro in de niet-arme groep. Aan materiaalkosten voor sport (sportschoenen, -kleding, -attributen) wordt gemiddeld 150 euro per jaar per kind uitgegeven. Contributie of lesgeld voor culturele activiteiten (muziekles, koor, tekenclub etc.) loopt van 165 euro in de bijstandsgroep tot 366 euro in de niet-arme groep. De kosten voor scouting en jeugdactiviteiten georganiseerd door kerk of moskee liggen, zowel voor de arme als niet-arme kinderen, veel lager.
Bijstandskinderen meest in het nadeel
Ook voor andere aspecten van de vrijetijdsbesteding is er een duidelijk verschil tussen de bijstandskinderen en de 'overig arme' kinderen. Bijstandskinderen gaan minder vaak op vakantie, maken minder vaak uitstapjes, nodigen minder vaak kinderen thuis uit en gaan zelf minder vaak naar andere kinderen toe. Zij vieren minder vaak hun verjaardag en bezoeken ook minder verjaardagsfeestjes van anderen. Waarschijnlijk spelen financiële redenen ook hierbij een rol.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
*) Op basis van de striktere grens die het SCP meestal in het armoede-onderzoek gebruikt, zijn er in totaal 203.000 arme kinderen (8%) in de leeftijd van 5-18 jaar.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks