Persbericht 'Maten voor gemeenten 2009'
Omvang gemeentelijke dienstverlening liep tussen 2002 en
2007 terug
Maten voor gemeenten 2009. Een analyse van de prestaties van de lokale overheid.
-
In 2007 bedroegen de uitgaven van gemeenten circa 40 miljard euro. Gecorrigeerd voor inflatie daalden de uitgaven in de periode 2002-2007 gemiddeld met 0,5% per jaar. In diezelfde periode liep de productie van de gemeentelijke dienstverlening terug met 1,3% per jaar. In samenhang hiermee is de relatieve kostprijs van gemeentelijke diensten in de betreffende periode met 0,7% per jaar toegenomen.
-
Na de sterke stijging van de gemeentelijke uitgaven in de voorafgaande jaren, vond in 2003 nog een lichte toename plaats. Het jaar 2004 stond in het teken van bezuinigingen. Ook in 2005 en 2006 was, na correctie voor de opgetreden inflatie, nog sprake van een verdere afname van de uitgaven. Daarmee reageerden de gemeentelijke uitgaven met enkele jaren vertraging op de recessie in de marktsector die reeds vanaf 2001 inzette. In 2007 trad een hernieuwde stijging op, vooral door de uitbreiding van de gemeentelijke taken met de huishoudelijke hulp (WMO).
-
De door gemeenten verleende of gefinancierde diensten voldoen aan vrij hoge standaarden. In de periode 2002-2007 is slechts in beperkte mate sprake van een kwaliteitsverbetering.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit de SCP-publicatie Maten voor gemeenten 2009. Een analyse van de prestaties van de lokale overheid, die op donderdag 12 november jl. is verschenen. In het rapport geven de onderzoekers dr. Bob Kuhry en dr. Jedid-Jah Jonker een beeld van de uitgaven en prestaties van gemeenten in de periode 2002-2007. Het rapport biedt een verdere uitwerking en verdieping van de zeven eerdere studies in deze reeks. Alle studies werden verricht op verzoek van het ministerie van BZK, dat in het kader van het Plan van Aanpak Transparantie in de financiële verhouding een beter inzicht wil krijgen in de relatie tussen taken en middelen op gemeentelijk niveau.
Gemeentelijke dienstverlening
Gemeenten leveren een breed scala aan diensten op uiteenlopende gebieden, zoals burgerlijke stand, brandweer, wegenonderhoud, onderwijs, zorg, cultuur, recreatie, bijstand, werkgelegenheid, milieubeheer, riolering, stadsreiniging, woningexploitatie, bouwvergunningen, woningdistributie, stedelijke vernieuwing en openbaar vervoer. De gemeentelijke productie op deze gebieden is gemeten met behulp van verschillende indicatoren, die zowel betrekking hebben op prestaties van gemeenten als op het gebruik van gemeentelijke diensten door burgers. De totale productie van gemeenten is vervolgens berekend met behulp van een gewogen optelling van de productie op de verschillende deelgebieden. Overigens blijft een deel van de gemeentelijke uitgaven (grondbedrijf, nutsbedrijven en havenbedrijven) in dit rapport buiten beschouwing.
Lichte daling reële uitgaven
In de periode 2002-2007 groeiden de uitgaven van gemeenten voor de onderzochte taakvelden met 1,2% per jaar tot circa 40 miljard euro in 2007. Gecorrigeerd voor de algemene toename van het prijspeil is er in deze periode echter sprake van een daling met gemiddeld 0,5% per jaar. De voorafgaande jaren werden gekenmerkt door een sterke groei, die niet alleen tot uitdrukking kwam in de uitgaven, maar ook in de omvang van het personeel. In 2003 groeiden de uitgaven nog licht, maar in 2004, 2005 en 2006 was sprake van een uitgavendaling. Daarmee reageren gemeenten (net als het Rijk) vertraagd op de conjuncturele ontwikkelingen in de marktsector, waar al in 2001 een stagnatie in de groei optrad. Ook over een langere periode - van 1995 tot 2007 - is nauwelijks sprake van een groei van de uitgaven. Gedurende deze jaren blijven de gemeentelijke uitgaven niet alleen sterk achter bij de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP), maar ook bij de publieke uitgaven voor onderwijs, zorg en veiligheid. Dit achterblijven van de gemeentelijke uitgaven heeft deels te maken met de verzelfstandiging van een aantal gemeentelijke taken (gemeentelijke woningbedrijven en gemeentelijke verzorgingshuizen en verpleeghuizen) in de beginperiode. De stijging van de uitgaven in 2007 kan daarentegen vooral worden toegeschreven aan de toekenning van een nieuwe taak aan gemeenten: de verantwoordelijkheid voor de huishoudelijke zorg in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Op basis van de begrotingscijfers voor 2008 en 2009 valt een verdere toename van de uitgaven te verwachten, die overigens vooral kan worden toegeschreven aan de afspraak dat de financiële verantwoordelijkheid voor de sociale werkplaatsen vanaf dat jaar geheel bij gemeenten komt te liggen.
Daling productievolume
De productie van gemeenten liep in de periode 2002-2007 gemiddeld terug met 1,3% per jaar. Overigens is deze daling deels een gevolg van de afstoting van taken. Na correctie voor toegevoegde taken (ouder- en kindzorg in 2003 en huishoudelijke hulp in 2007) en afgestoten taken (vooral bij onderwijs en openbaar vervoer) is de gemiddelde jaarlijkse daling van het productievolume iets geringer (1,2%). Daarmee blijft de groei van de gemeentelijke productie duidelijk achter bij de gemiddelde jaarlijkse groei van de bevolking in de betrokken periode (een gemiddelde jaarlijkse toename met 0,3%). Voor 2007 en 2008 wordt wel een lichte stijging van het gemeentelijk productievolume voorzien.
Stijging relatieve kostprijs gemeentelijke dienstverlening
De relatieve kostprijs van de gemeentelijke dienstverlening vertoont een gemiddelde stijging van 0,7% per jaar. Dit betekent dat gemeentelijke diensten per jaar aanzienlijk sneller in prijs stijgen dan het gemiddelde voor een dienst of product. Deze prijsstijging bij de gemeentelijke dienstverlening wordt deels veroorzaakt door een betrekkelijk hoge incidentele looncomponent, deels door een afname van de productie per werknemer en daarnaast ook door een toename van de inzet van kapitaallasten, materiële middelen en uitbestedingskosten. Tegelijkertijd kan ook het onvolledig meten van de kwaliteit en effectiviteit van de productie een verklaring vormen voor de toename van de kostprijs. De beschikbare gegevens geven echter aan, dat de door gemeenten verleende of gefinancierde diensten aan vrij hoge standaarden voldoen, maar dat er maar in beperkte mate sprake lijkt te zijn van een kwaliteitsverbetering in de periode 2002-2007.
Enkele uitkomsten over specifieke taakvelden
-
Gezien de zeer sterke groei van de reële uitgaven (7% per jaar) genieten Openbare Orde en Veiligheid een hoge prioriteit.
-
De gemeentelijke uitgaven voor basis- en voortgezet onderwijs dalen gestaag als gevolg van het steeds meer op afstand plaatsen van de scholen voor openbaar onderwijs. Daardoor lopen de geldstromen in toenemende mate direct van het rijk naar de scholen, zonder tussenkomst van gemeenten.
-
De uitvoeringskosten voor Werk en Inkomen bedragen ongeveer 13% van de totale kosten die zijn gemoeid met dit taakveld. De pogingen van gemeenten om het bijstandsvolume te beheersen lijken in de periode tot en met 2007 succesvol.
-
Gemeenten zijn er vooralsnog niet in geslaagd om de rijkssubsidie voor het werkdeel van de Wet werk en bijstand geheel te besteden. Er is sprake van aanzienlijke overschotten doordat de re-integratietrajecten beduidend minder kosten dan de middelen die door de afbouw van het gesubsidieerd werk vrij zijn gevallen.
Conclusies over de Drechtsteden
Op initiatief van de gemeente Dordrecht en de overige Drechtsteden (Alblasserdam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht) is een poging gedaan om de methodiek van Maten voor gemeenten toe te passen op het niveau van dit samenwerkingsverband van gemeenten. Het bleek heel wel mogelijk om de benodigde gegevens te verzamelen, maar helaas vallen er kritische kanttekeningen te plaatsen bij de kwaliteit van de betreffende gegevens, zowel waar het de uitgaven als de productie betreft. Dit bemoeilijkt het trekken van definitieve conclusies. Enkele van de belangrijkste uitkomsten:
-
Dordrecht geeft meer dan gemiddeld uit per hoofd van de bevolking voor onder andere werk en inkomen, sociale en culturele dienstverlening en cultuur en sport. De overige Drechtsteden liggen juist onder dit gemiddelde. De hoge uitgaven van Dordrecht kunnen worden toegeschreven aan de grootstedelijke problematiek en aan de centrumfunctie van die gemeente.
-
De kosten per product liggen in Dordrecht iets onder het landelijk gemiddelde en in de overige Drechtsteden beduidend lager.
-
De kosten per product bleven de afgelopen drie jaar in Dordrecht achter bij het landelijk gemiddelde, maar vertonen juist een wat sterkere toename in de overige Drechtsteden.
SCP-publicatie 2009/20, Maten voor gemeenten 2009. Een analyse van de prestaties van de lokale overheid , Bob Kuhry, Jedid-Jah Jonker, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, november 2009, ISBN 978 90 377 0452 5, prijs € 18,50.
Twitter
Facebook
del.icio.us
Hyves
LinkedIn
Digg
Google Bookmarks