logo

Verschenen: 'Migranten uit Midden- en Oost-Europese landen in Nederland door de tijd gevolgd'

19 mei 2015

Een vergelijking tussen twee panelonderzoeken

Auteurs: Mérove Gijsberts (SCP), Marcel Lubbers (RU), Jaco Dagevos (SCP/EUR), Joost Jansen (EUR), Godfried Engbersen (EUR), Erik Snel (EUR).

In academisch- en beleidsonderzoek is er steeds meer aandacht voor arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa en hun maatschappelijke positie. Onlangs hebben zowel onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Radboud Universiteit Nijmegen (RU) als onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) studies uitgebracht met als doel om na te gaan hoe recente migranten uit deze landen  hun weg vinden in de Nederlandse samenleving. In deze notitie zijn beide onderzoeken met elkaar vergeleken. Het gaat om de vraag welke mogelijkheden er zijn om migranten uit Midden- en Oost-Europa longitudinaal te volgen. Het is daarmee een methodologische notitie. Voor inhoudelijke bevindingen met betrekking tot ontwikkelingen in leefsituatie verwijzen we naar het onlangs verschenen SCP-rapport (Gijsberts en Lubbers 2015) en het in oktober 2014 gepubliceerde rapport van de EUR (Engbersen et al. 2014). Voor de notitie zijn bijdragen geleverd door onderzoekers van het SCP, de RU en de Erasmus Universiteit Rotterdam. De notitie is geschreven op verzoek van het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.

Het survey Socio-Cultural Integration Processes among New Immigrants in Europe (SCIP) is een internationaal vergelijkend en longitudinaal onderzoek naar de integratieprocessen van migranten die nog maar kort in het bestemmingsland zijn. In Nederland zijn respondenten via een representatieve steekproef uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) getrokken, waarna ze voor langere tijd worden gevolgd. Het gaat om recente migranten die zich in 2009 en 2010 in de GBA hebben ingeschreven en binnen anderhalf jaar na inschrijving zijn geïnterviewd. In totaal zijn ruim 800 Poolse en 400 Bulgaarse migranten geïnterviewd (naast migranten uit Turkije, Marokko, Suriname en de Antillen). Inmiddels heeft de tweede 'golf' van dit onderzoek plaatsgevonden. In de tweede golf is bij de nog in Nederland woonachtige personen een uitgebreide vragenlijst afgenomen, hoofdzakelijk via face-to-face interviews. Vlak voordat het onderzoek het veld in ging, heeft het CBS de adressen geupdate van de respondenten die hadden aangegeven mee te willen werken aan een tweede onderzoek. Zodoende was het mogelijk om degenen die inmiddels binnen Nederland verhuisd bleken, op hun nieuwe adres te benaderen. Ook konden we zo achterhalen wie zich inmiddels uit de GBA had uitgeschreven en dus niet meer benaderd kon worden.

Ook de Erasmus Universiteit heeft een deel van de Poolse, Bulgaarse en Roemeense migranten die zij in 2009 en 2010 voor het eerste interviewde, een tweede keer benaderd om een interview af te nemen. Het onderzoek had een andere aanpak. De onderzoekers van de Erasmus Universiteit zijn gericht op zoek gegaan naar respondenten op plekken waar veel arbeidsmigranten wonen en werken. Er werd gebruik gemaakt van de zogenoemde sneeuwbalmethode, waarbij nieuwe respondenten via bestaande respondenten werden geworven. Of respondenten al dan niet in de GBA stonden ingeschreven, deed niet ter zake bij de selectie van de respondenten. Op deze wijze zijn tussen 2009 en 2011 ruim 650 interviews afgenomen. Van deze respondenten hebben 335 respondenten hun telefoonnummer en/of e-mail adres achtergelaten. Aan de hand van deze contactgegevens is geprobeerd respondenten opnieuw te benaderen. Er zijn in totaal vijf Poolse, Roemeense en Bulgaarse interviewers ingezet om met de beschikbare contactgegevens de respondenten opnieuw te benaderen.

Een eerste conclusie van de vergelijking is dat het uitvoeren van panelonderzoek onder deze groepen migranten mogelijk is, maar geen sinecure is. Er is sprake van een aanzienlijke paneluitval. Het EUR-onderzoek slaagde er in om 12% van de oorspronkelijke respondenten opnieuw te ondervragen. Bij het SCIP ligt de respons substantieel hoger, en dan met name bij de Polen (43%) en in mindere mate bij de Bulgaren (34%). Dat leden van deze migrantengroepen vaak snel Nederland weer verlaten, is een van de redenen voor de hoge uitval. Maar er zijn ook andere factoren. Waar beide studies duidelijke indicaties voor leveren, is dat in de tweede golf zich vestigende migranten sterker zijn vertegenwoordigd.

De notitie concludeert ook dat op het terrein van dataverzameling onder migranten uit Midden- en Oost-Europa nog een aantal belangrijke stappen kunnen worden gezet, te beginnen met de opbouw van een adequate data infrastructuur voor deze groepen. Vanwege het feit dat een deel van de doelpopulatie niet staat ingeschreven in de GBA, zal een combinatie van methoden moeten worden toegepast. Deze nieuwe infrastructuur zou idealiter eveneens moeten leiden tot panelgegevens, omdat we hiermee inzicht kunnen krijgen in het verloop van integratieprocessen. Dergelijk onderzoek is echter arbeidsintensief en kostbaar. Het zou mooi zijn als deze notitie het startpunt zou kunnen zijn voor universiteiten, planbureaus en overheden om de krachten te bundelen en middelen bijeen te brengen voor de opbouw van een goed informatiesysteem over EU-arbeidsmigranten.

Literatuur:

Engbersen, G., Jansen, J., Faber, M., Leerkes, A. en Snel, E. (2014) Migratiepatronen in dynamisch perspectief. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam.

Gijsberts, M. en M. Lubbers (2015). Langer in Nederland. Ontwikkelingen in de leefsituatie van migranten uit Polen en Bulgarije in de eerste jaren na migratie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

 

Home / Nieuws / Oudere nieuwsberichten / Nieuws uit 2015 / Verschenen: 'Migranten uit Midden- en Oost-Europese landen in Nederland door de tijd gevolgd'

Menu