logo

Persbericht: Achter de schermen

06 augustus 2009

Oude en nieuwe media voeren strijd om schaarse vrije tijd

•  Sinds 1975 is het media-aanbod sterk gegroeid. De hoeveelheid tijd die Nederlanders aan deze media besteden is echter vrijwel gelijk gebleven. Van de gemiddeld bijna 45 uur vrije tijd per week gaat bijna 19 uur (ruim 40%) op aan media en ict. Twee derde deel van de mediatijd (12,4 uur oftewel ruim 27% van de vrije tijd) wordt voor de televisie doorgebracht.

•  In de afgelopen kwart eeuw heeft een verschuiving in de tijdsbesteding plaatsgevonden van oude naar nieuwe media. De tijd besteed aan sociale contacten is in die periode aanzienlijk gedaald.

•  Elke nieuwe generatie telt minder lezers van boeken, kranten en tijdschriften dan de vorige. Zo las in 2000 van de 50-65 jarigen nog 35% een boek, 66% een tijdschrift en 80% een krant. Onder 20-34 jarigen waren deze percentages resp. 27%, 46% en nogmaals 46%.

•  Sinds 1975 is de hoeveelheid tijd die aan boeken wordt besteed gedaald met een derde. Dit is voornamelijk het gevolg van de daling van het aantal boekenlezers. De echte boekenliefhebbers lezen nog vrijwel evenveel als drie decennia geleden.

•  Ouderen blijven de publieke omroep nog het meest trouw. Jongere kijkers geven de voorkeur aan de commerciële omroep. Daarnaast zijn jongeren het vaardigst in het omgaan met computers, internet, games e.d. en besteden zij er van alle leeftijdsgroepen ook de meeste tijd aan.

•  In Nederland is het marktaandeel van de publieke omroep vergeleken met andere Europese landen relatief laag (37%). Per hoofd van de bevolking wordt echter ook veel minder geld aan de publieke omroep besteed dan bijvoorbeeld in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

•  In tegenstelling tot middelbaar en hoger opgeleiden gingen lager opgeleiden niet méér gebruik maken van het steeds meer gevarieerde media- en informatie-aanbod.

•  Nu internet zich ontwikkelt tot het centrale distributiemedium voor tekst, beeld en geluid en voor onderlinge communicatie, is een mediabeleid ingedeeld naar letteren, pers, omroep, ict en communicatie-infrastructuur niet langer adequaat. Een alternatieve indeling naar de functies die media vervullen (informeren en opiniëren; gezelschap bieden en verbondenheid creëren; socialiseren en cultureel integreren; amuseren) ligt meer voor de hand.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit de SCP-publicatie Achter de schermen. Een kwart eeuw lezen, luisteren, kijken en internetten , die op woensdag 6 oktober 2004 wordt aangeboden aan de staatssecretaris van Cultuur, mw. mr. M.C. van der Laan. De SCP-studie maakt deel uit van een langlopend onderzoeksprogramma, Het culturele draagvlak , dat met steun van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontwikkelingen in de cultuurdeelname van de Nederlandse bevolking in kaart brengt.

In Achter de schermen worden voor het eerst ontwikkelingen in media-aanbod, media-uitrusting en mediagebruik beschreven tegen de achtergrond van sociale veranderingen die de Nederlandse samenleving in de afgelopen drie decennia heeft doorgemaakt. Met het Tijdsbestedingsonderzoek dat sinds 1975 om de vijf jaar is gehouden, voor het laatst in 2000, beschikt het SCP over een unieke gegevensbron waarmee het gebruik van gedrukte, audiovisuele en digitale media in onderlinge samenhang kan worden beschreven.

De auteurs, dr. Frank Huysmans, dr. Jos de Haan en dr. Andries van den Broek, besteden in het boek bijzondere aandacht aan cultuurdeelname (literatuur, theater, muziek etc.) via de media en internet. Ook vergelijken zij de Nederlandse mediasituatie met die in omringende landen. De auteurs pleiten voor het ontwikkelen in het onderwijs van mediacompetentie: vaardigheid in het kritisch omgaan met media. Voorts betogen zij dat nu het internet zicht ontwikkelt tot hét centrale distributieplatform voor tekst, beeld en geluid, de traditionele indeling van het mediabeleid in letteren, pers, omroep en ict een probleem wordt. Zij stellen een indeling voor naar de vier functies die het mediabestel vervult: informeren en opiniëren; het bieden van gezelschap en verbondenheid; socialiseren en cultureel integreren; en amuseren.

Nieuwe media: aanvulling of vervanging?

Aangezien de gemiddeld aan media bestede hoeveelheid vrije tijd sinds 1975 nagenoeg constant is gebleven op 18 à 19 uur per week, lijkt het erop dat de opkomst van nieuwe media wel ten koste moet zijn gegaan van de bestaande. Voor de bevolking als geheel is dat ook het geval geweest. Het aandeel van de gedrukte media in de totale mediatijdsbesteding slonk van 33 procent in 1975 tot 21 procent in 2000. Het gebruik van radio en geluiddragers als hoofdbezigheid (wat maar een fractie is van de totale luistertijd, die ook het luisteren als nevenbezigheid omvat), daalde in dezelfde periode van 12% naar 4% van de totale mediatijd. Het aandeel van de televisie steeg van 55 naar 66 procent door de bekabeling in de jaren tachtig en de komst van commerciële zenders in de jaren negentig. Personal computer en internet trokken in 2000 al 9 procent van de totale mediatijd naar zich toe.

Het gemiddelde voor de bevolking als geheel verhult echter onderliggende verschillen tussen individuele mediagebruikers. Niet iedereen heeft evenveel vrije tijd, en niet iedereen besteedt een even groot deel van zijn vrije tijd aan media en ict. Bij individuele mediagebruikers concurreren media en ict niet met elkaar, maar vooral met sociale contacten en overige vormen van vrijetijdsbesteding. Mensen die veel achter de pc zitten, lezen niet minder dan niet-pc-gebruikers. Het zijn vooral de sociale contacten en overige vormen van vrijetijdsbesteding die concurreren met het gebruik van de audiovisuele media. Sociale contacten concurreren eerder met het lezen dan met computergebruik.

Mensen die hoger op de maatschappelijke ladder staan (met een hogere opleiding, een hoger inkomen en/of een betaalde baan) informeren zich veelzijdiger dan mensen lager op die ladder. Gezien het belang van het goed geïnformeerd zijn in de informatiesamenleving van vandaag is dit een ontwikkeling die om aandacht van de overheid vraagt. Het aanleren van vaardigheden in het kritisch omgaan met media - mediacompetentie - verdient op alle niveaus in het onderwijs aandacht.

Gedrukte media: ruim aanbod, afnemende belangstelling

Het aantal uren dat Nederlanders per week aan gedrukte media besteden, daalde van 6,1 uur in 1975 naar 3,9 uur in 2000. Vooral het aantal lezers daalt. In 1975 las nog 49 procent van de Nederlanders wekelijks minimaal één kwartier in boeken. In 2000 was dat nog maar 31 procent. Het lezen van dag- en nieuwsbladen (van 84 naar 62 procent van de bevolking) en van tijdschriften (van 75 naar 53 procent) kende een overeenkomstige daling. De Nederlanders die nog wel boeken lezen, besteden er maar iets minder tijd aan dan vijfentwintig jaar geleden. Hetzelfde geldt voor lezers van kranten en tijdschriften. Steeds minder leest men én boeken, én kranten én tijdschriften.

De teruggang in het gebruik van gedrukte media is vooral een gevolg van het feit dat jongere generaties veel minder gebruikmaken van gedrukte media dan oudere generaties. Commerciële televisie en computertoepassingen (games, chatten) zijn in het bijzonder onder jongeren in trek.

Televisie en radio, beeld- en geluiddragers: publiek en commercieel, analoog en digitaal

De tijd die Nederlanders aan televisie besteden, steeg van 10,2 uur per week in 1975 naar 12,4 uur in 2000. Het kijken als nevenactiviteit (bij een andere bezigheid) is in deze cijfers niet meegerekend; doet men dit wel, dan is er een stijging van 13,3 uur per week in 1975 naar 16,1 uur in 2000. Het luisteren naar de radio lijkt, althans in het Tijdsbestedingsonderzoek van het SCP, aan populariteit in te boeten (als hoofd- of nevenactiviteit: van 15,0 uur per week in 1975 naar 10,3 uur per week in 2000).

Onder jongeren zijn de commerciële televisie- en radiozenders meer in trek dan de publieke zenders.

In een vergelijking met andere Europese landen blijkt dat het marktaandeel van de Nederlandse publieke omroep van rond de 37 procent aan de lage kant is. Dat geldt echter ook voor de hoogte van de inkomsten van de publieke omroep per hoofd van de bevolking (inclusief reclame- en sponsorgelden 45 euro jaarlijks, tegenover 97 in Duitsland en 103 in het Verenigd Koninkrijk). Alleen in Portugal en Spanje ligt het bedrag lager dan hier. In landen waar per hoofd van de bevolking meer wordt uitgegeven aan de publieke omroep is het marktaandeel ook groter.

Computer en internet: afnemende verschillen in bezit, nog altijd verschillen in gebruik

In het midden van de jaren negentig had 71% van de Nederlanders met een hogere (hbo- of wetenschappelijke) opleiding een pc thuis. Onder Nederlanders met een lagere (lo-, lbo- of mavo-) opleiding lag dit percentage op 36%. Een verschil van 35 procentpunten. In 2003 was dit verschil teruggelopen tot 24 procentpunten (94% versus 70%) en verwacht wordt dat deze verschillen naar opleiding uiteindelijk vrijwel zullen verdwijnen.

Eind 2002 was in 6% van de Nederlandse huishoudens een ADSL-aansluiting aanwezig en had 21 procent van de huishoudens een kabelaansluiting. Eind 2003 was dit gestegen naar 17%, resp. 24%. Elf procent van de huishoudens had een ISDN- en 48 procent een telefoonverbinding met het internet.

Het gebruik dat van de thuis-pc en internetaansluiting wordt gemaakt, is en blijft afhankelijk van de vaardigheden die gebruikers hebben om ermee om te gaan. Hier hebben jongeren, mannen en hoger opgeleiden nog altijd een flinke voorsprong op ouderen, vrouwen en lager opgeleiden. Wie vaardiger is in de omgang, weet de pc voor meer doelen in te zetten.

Aanbieding aan de staatssecretaris van Cultuur

Op woensdag 6 oktober zal het rapport worden aangeboden aan de staatssecretaris van Cultuur, mw. mr. M.C. van der Laan. Na een korte presentatie door de hoofdauteur zal het eerste exemplaar worden overhandigd, waarna de staatssecretaris een korte reactie geeft. Vervolgens is er een forumdiscussie onder leiding van prof. dr. Paul Schnabel, directeur van het SCP, waaraan wordt deelgenomen door:

  • prof. dr. José van Dijck, hoogleraar Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam,

  • drs. Aad Nuis, bestuursvoorzitter van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en oud-staatssecretaris van Cultuur,

  • dr. Michiel Schwarz, onafhankelijk consultant op het terrein van de technologische cultuur en kroonlid van de Raad voor Cultuur,

  • dr. Frank Huysmans, auteur van Achter de schermen .



Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2004 / Achter de schermen / Persbericht: Achter de schermen

Menu