logo

Persbericht: In het zicht, hfdstuk 7

07 augustus 2009

Kloof tussen wensen en verwachtingen in sociale zekerheid - Sociaal en Cultureel Rapport 2004 - Hoofdstuk 7

Sociale zekerheid.

  • Er bestaat een grote afstand tussen de sociale zekerheid die mensen wensen en het stelsel dat zij in 2020 verwachten. 68% zou het huidige stelsel intact willen laten, maar minder dan 10% verwacht dat dit ook zal gebeuren.

  • Een ruime meerderheid ziet een afkalving van de collectieve pensioenen in het verschiet liggen. Men verwacht dat in 2020 de pensioenleeftijd hoger zal zijn, dat gepensioneerden ook AOW-premies moeten betalen, en dat mensen met een aanvullend pensioen niet op 70% van hun eerdere loon zullen uitkomen. Ook denkt men dat het verschil tussen uitkeringen en lonen groter zal worden. Slechts een minderheid vindt zulke ontwikkelingen ook wenselijk.

  • Ongeveer driekwart van de burgers denkt dat uitkeringsontvangers en ook mensen met alleen AOW in 2020 moeilijker zullen kunnen rondkomen dan nu.

  • Fundamentele veranderingen in het stelsel, zoals een basisinkomen, een 'spaarmodel' of een ministelsel, krijgen weinig steun (8-36% voorstanders). Veel mensen zien echter wel iets in een systeem waarbij werklozen en arbeidsongeschikten tegen het minimumloon werk moeten verrichten dat nuttig is voor de samenleving (63% voorstanders).

  • Door de vergrijzing zullen de armoede en de ongelijkheid de komende twintig jaar iets oplopen. Ouderen hebben gemiddeld een lager inkomen dan werkenden en het aandeel ouderen in de bevolking zal toenemen.

  • Als de beleidstrends van de laatste jaren worden doorgetrokken, beweegt Nederland zich wat de sociale zekerheid betreft in de richting van een stelsel dat 'Amerikaanse' en 'Zweedse' kenmerken verenigt.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit hoofdstuk 7 van het  Sociaal en Cultureel Rapport 2004 .

Wensen en verwachtingen lopen uiteen


Uit de resultaten van het SCP-onderzoek onder burgers komt een kloof tussen hun verwachtingen en wensen naar voren. Ruim tweederde van de ondervraagden wil het bestaande systeem van sociale zekerheid behouden, waarbij de overheid verantwoordelijk is voor de bijstand, de AOW en de werknemersverzekeringen (68%). Minder dan 10% verwacht echter dat dit in 2020 het geval zal zijn.
 
De veranderingen die men verwacht krijgen vaak weinig steun:
- 66% denkt dat de pensioenleeftijd in 2020 boven de 65 jaar zal liggen, terwijl slechts 9%  dat wenselijk vindt;
- 59% verwacht dat gepensioneerden dan AOW-premie moeten betalen, 24% vindt dat gewenst;
- 89% denkt dat mensen zich in 2020 individueel moeten hebben bijverzekerd om na hun pensionering rond te kunnen komen, 30% vindt dat wenselijk.
- 77% verwacht dat het verschil tussen lonen en uitkeringen in 2020 groter zal zijn dan tegenwoordig; 29% vindt dat wenselijk.
Vier van de vijf ondervraagden (79%) wenst dat mensen met een aanvullend pensioen uit zullen komen op 70% van hun laatstverdiende loon. De groep die denkt dat dit in 2020 ook het geval zal zijn is veel kleiner (54%).

Minder toereikende uitkeringen verwacht

 
72% denkt dat AOW'ers in 2020 moeilijker zullen kunnen rondkomen dan thans. De groep die verwacht dat bijstandsontvangers in de toekomst slechter af zullen zijn is nog groter (81%). Ook ten aanzien van WW'ers en WAO'ers is men pessimistisch gestemd: 76 à 77% denkt dat die in 2020 minder goed van hun uitkering zullen kunnen leven dan tegenwoordig.

Fundamentele veranderingen ongewenst

 
Er is weinig steun voor veel fundamentele veranderingen van de sociale zekerheid, zoals die in het politieke debat wel worden geopperd. Een minderheid is voorstander van een gedeeltelijk basisinkomen (8%), een op de levensloop gericht 'spaarmodel'(23%), een ministelsel dat de 'eigen verantwoordelijkheid' benadrukt (28%), of een capuccino- of 'driepijlermodel', waarin de werkgevers en vakbonden een belangrijke rol spelen (36%). Workfare is de enige toekomstvariant die wel door een meerderheid wordt onderschreven (63%). De overheid zorgt er dan voor dat werklozen en arbeidsongeschikten nuttig werk voor de samenleving kunnen doen, in ruil voor het minimumloon. Zo'n baan mag niet geweigerd worden, tenzij men ernstig ziek is.

Jongeren en ouderen verschillen nauwelijks van mening over de sociale zekerheid

 
Het oordeel van de huidige jongeren, die in de toekomst de lasten van de sociale zekerheid zullen moeten dragen, wijkt nauwelijks af van dat van de oudere generaties. De jongeren wensen in doorsnee zelfs een lagere gemiddelde pensioenleeftijd dan ouderen. Daar staat tegenover dat zij vaker vinden dat gepensioneerden in de toekomst AOW-premie moeten betalen.

Ongelijkheid en armoede nemen licht toe door vergrijzing

 


Door de vergrijzing zullen de ongelijkheid en armoede de komende decennia iets toenemen. Bij een doorberekening van enkele beleidsscenario's werden de gunstigste effecten behaald met een scenario waarbij de arbeidsdeelname wordt bevorderd: de ongelijkheidsindex loopt dan slechts op van 0,253 (2000) tot 0,257 (2025), de armoede van 10,8 naar 10,9%. Enkele andere varianten leiden tot iets grotere stijgingen, maar de verschillen zijn niet groot (maximale waarden van resp. 0,261 en 11,6% in 2025). In een van die scenario's is aangenomen dat het aantal WW'ers en arbeidsongeschikten wordt teruggedrongen door de instroom te beperken, iets dat door het kabinet wordt beoogd. Dit vermindert wel het aantal uitkeringsontvangers beneden de pensioenleeftijd, maar leidt tot hogere armoedepercentages onder degenen die tot die groep blijven behoren.
 

Een Amerikaans-Zweeds toekomstbeeld


De aanpassingen die de laatste tijd in de sociale zekerheid zijn aangebracht roepen vaak de vraag op of Nederland zich beweegt in de richting van een meer 'Amerikaans model'.  De corporatistische elementen (kenmerkend voor landen als Duitsland en Frankrijk) die in Nederland altijd belangrijk waren, hebben de afgelopen jaren aan belang ingeboet. In de uitvoering van de sociale zekerheid spelen werkgevers en vakbonden nu een minder prominente rol, de kostwinnersvoordelen zijn uit de regelingen verwijderd en vervroegde uittreding wordt in het  beleid niet langer gestimuleerd.
Tegelijkertijd neemt het gewicht van liberale elementen (kenmerkend voor de Angelsaksische landen) toe. Er zijn meer financiële prikkels gekomen, de marktwerking in de uitvoering werd groter, de collectieve regelingen worden meer toegespitst op de behoeftigen en de eigen verantwoordelijkheid van burgers en individuele werkgevers wordt sterker benadrukt.
Vanaf het midden van de jaren negentig nam ook de aandacht voor armoedebestrijding en het activeren van werklozen en arbeidsongeschikten toe, mede in het licht van afspraken op Europees niveau. Die ontwikkeling past eerder bij het sociaal-democratische model van landen als Zweden en Denemarken, die gekenmerkt wordt door een grote nadruk op arbeidsparticipatie.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Nederlandse sociale zekerheid in de toekomst volstrekt zal 'Amerikaniseren' - een ontwikkeling die ook slecht zou aansluiten bij de voorkeuren van de bevolking. Het is plausibel dat in de sociale zekerheid op termijn een gemengd sociaal-democratisch/liberaal stelsel zal ontstaan. Vooraf valt niet aan te geven of dit een evenwichtige mengvorm zal worden, een betrekkelijk karig 'Scandinavisch' systeem, of een 'Amerikaans' stelsel met een 'Zweeds' randje. Zo'n hybride stelsel kan in de toekomst bovendien problematisch blijken: de brede solidariteit van de Scandinavische stelsels en de beperkte collectieve voorzieningen van de liberale systemen staan op gespannen voet met elkaar.



Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2004 / In het zicht van de toekomst / Persbericht: In het zicht, hfdstuk 7

Menu