logo

Persbericht: Armoedemonitor 2005

29 augustus 2009

Armoede toegenomen, daling verwacht in 2006

●     Het aantal huishoudens met een laag inkomen is sinds 2002 gegroeid, van bijna 580.000 tot naar verwachting ruim 680.000 in 2005. Dat komt overeen met een toename van 8,8% naar 10,5% van alle huishoudens. Voor 2006 wordt een daling voorspeld tot 9,7%.

●     Het percentage huishoudens dat aangeeft moeilijk rond te kunnen komen liep tussen 2001 en 2004 op van 8% naar 13%. Meer lage inkomens zitten onder het bedrag dat zij zelf minimaal noodzakelijk vinden (24% in 1999, 41% in 2004).

●     In 2002 gaf 5% van de huishoudens met een laag inkomen aan schulden te moeten maken, in 2005 is dat bijna 10%. Er is een toename van schuldhulpverlening, schuldsanering, huurachterstanden, huisuitzettingen en incasso-opdrachten.

●     Bij de Turkse, Antilliaanse en Marokkaanse groepen hadden ongeveer drie op de tien huishoudens in 2003 een laag inkomen. Dat is vier maal zo veel als bij autochtonen. Somalische, Afghaanse en Irakese huishoudens komen nog hoger uit: meer dan de helft heeft een laag inkomen.

●     De positie van ouderen heeft  zich de laatste vijftien jaar gunstig ontwikkeld. Het percentage lage inkomens is bij 65-plussers inmiddels lager dan bij de niet-gepensioneerden. 65-plussers hebben vergeleken met jongeren minder te maken met materiële achterstanden, een geringe toegang tot instanties en een onveilige woonomgeving.

●     De 'armoedeval' maakt het in theorie voor ongeveer een kwart miljoen huishoudens financieel weinig aantrekkelijk om te werken. In de praktijk blijkt het effect echter beperkt. Als mensen inkomensaanvullende regelingen ontvangen (zoals de huursubsidie) leidt dat er op zichzelf niet toe dat zij minder solliciteren, minder vaak werk aanvaarden of hun arbeidsuren minder uitbreiden.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit de Armoedemonitor 2005 , een gezamenlijke uitgave van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die op dinsdag 29 november a.s. om 11.00 uur wordt aangeboden aan staatssecretaris  H.A.L. van Hoof van SZW. De aanbieding vindt plaats op het ministerie van SZW. In het rapport worden de meest actuele cijfers gepresenteerd over de omvang, oorzaken en gevolgen van armoede in Nederland. De Armoedemonitor verschijnt eens in de twee jaar.

Hoe is armoede gemeten?

Armoede kan op veel manieren worden gemeten. In dit rapport zijn twee inkomensgrenzen gebruikt. De lage-inkomensgrens kwam in 2003 voor een alleenstaande overeen met netto 10.200 euro per jaar (850 euro per maand). Deze grens is geschikt voor vergelijkingen in de tijd, omdat zij elk jaar gecorrigeerd wordt voor de inflatie. De beleidsmatige grens ligt 5% boven de normbedragen in de bijstand, de AOW en de kinderbijslag. Voor een alleenstaande jonger dan 65 was dit in 2003 gelijk aan netto 9.800 euro per jaar (820 euro per maand). Deze grens is van belang voor de doelgroepen van het overheidsbeleid (minima).

Naast de twee inkomensgrenzen worden ook enkele aanvullende indicatoren voor armoede gehanteerd: de duur van de periode dat men een laag inkomen heeft, de vaste lasten, het oordeel over de eigen financiële situatie en de aanwezigheid van schulden.

De inkomensgegevens in de Armoedemonitor zijn grotendeels ontleend aan fiscale bronnen en lopen meestal tot en met 2003. Ontwikkelingen na 2003 zijn in beeld gebracht op basis van ramingen en gegevens uit enkele gerichte enquêtes.

Meer huishoudens met een laag inkomen

In 2002 lag de armoede op het laagste punt sinds 1985. Van alle huishoudens had 8,8% een laag inkomen, wat overeenkomt met 577.000 huishoudens.

In 2003 is dit gestegen tot 9,8% (642.000 huishoudens). Hiervan verkeerde één op de drie langdurig onder de lage inkomensgrens. Dat houdt in dat ruim 200.000 huishoudens met langdurige armoede te maken hadden.

De raming voor 2005 is dat het aandeel lage inkomens verder oploopt, tot 10,5%. Nederland telt nu  ruim 680.000 huishoudens met een laag inkomen. De toename komt grotendeels door de verslechtering van de koopkracht in 2003 en 2005. De oplopende werkloosheid speelt een minder belangrijke rol. 

Daling lage inkomens verwacht in 2006

In 2006 zal het percentage huishoudens met een laag inkomen naar verwachting afnemen tot het niveau van 2003 (9,7%). Bij alleenstaande 65-plussers is de daling verhoudingsgewijs sterk, onder andere door de invoering van de alleenstaande ouderenkorting bij de belastingheffing. Bij uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar zal het percentage lage inkomens in 2006 naar verwachting slechts licht dalen. Die daling is onvoldoende om de stijging in de periode 2003-2005 goed te maken.

In 2003 ook meer huishoudens met minimuminkomen

In 2002 had 9,1% van de huishoudens een inkomen beneden de beleidsmatige grens. Dat zijn 594.000 huishoudens. In 2003 is dit toegenomen tot 10,1%, ofwel 657.000 huishoudens. Voor de latere jaren is bij deze inkomensgrens geen raming beschikbaar.

Meer mensen komen moeilijk rond

Na 2001 loopt het aandeel huishoudens dat aangeeft moeilijk of zeer moeilijk te kunnen rondkomen op, van 8% naar 13% in 2004. Bij de groep met een laag inkomen stijgt dit van 27% naar 39% van de huishoudens.

In de lage inkomensgroep stijgt het percentage huishoudens met een inkomen dat lager is dan het bedrag dat zij zelf minimaal noodzakelijk vinden (24% in 1999, 41% in 2004).

Toenemende schuldenproblematiek

Van de lage inkomens gaf in 2002 ruim 5% aan schulden te moeten maken. In 2005 is dat bijna verdubbeld, tot iets minder dan 10%. Er zijn vermoedelijk meer 'overlevingsschulden' gekomen (vaste lasten die structureel te hoog zijn voor het inkomen). Ook de 'aanpassingschulden', die ontstaan bij grote veranderingen in het inkomen en/of de uitgaven, lijken gegroeid. De stijgende werkloosheid en het moeizame gewenningsproces aan de euro spelen daarbij vermoedelijk een rol. Er is een toename in de verzoeken om schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering. Het aantal incasso-opdrachten en informatieaanvragen bij het Bureau Kredietregistratie groeit. Ook zijn er meer huurders met huurachterstand en huisuitzettingen, en wordt er meer hulp verleend door kerken en voedselbanken.

Een deel van deze ontwikkelingen hangt ook met andere factoren samen: het beleid ten aanzien van incasso, huur en uitzettingen is strenger geworden, de bekendheid met schuldhulpverlening is toegenomen, en de voedselbanken bestaan pas kort. Dit kan waarschijnlijk niet de gehele ontwikkeling verklaren: de schuldenproblematiek zelf lijkt de laatste jaren te zijn toegenomen.

Risicogroepen

Het aandeel lage inkomens is in 2003 hoog bij uitkeringsontvangers jonger dan 65 jaar (48%) en eenoudergezinnen (37%). Kinderen jonger dan 18 jaar leven iets vaker dan gemiddeld in een huishouden met een laag inkomen (ruim 12%, ofwel 430.000 kinderen). Onder werkenden komt niet veel armoede voor (ruim 5%). Bij mensen in loondienst is het percentage lage inkomens vrij stabiel, maar bij zelfstandigen loopt het tussen 2001 en 2003 op van 11% naar 16%.

Hoge armoedecijfers bij allochtonen

Het armoederisico is het hoogst bij sommige van de nieuwe groepen allochtonen: van de Somalische, Afghaanse en Irakese huishoudens had 52 à 58% een laag inkomen. Mensen uit voormalig Joegoslavië, Iraniërs en Chinezen komen lager uit (27 à 38%). Dat ligt dicht bij de grote minderheidsgroepen: van de Marokkaanse huishoudens had 33% een laag inkomen, iets meer dan de Antilliaanse (28%) en Turkse (29%) huishoudens. De Surinamers doen het iets beter (23%). Het cijfer is bij de 'oude' groepen  3 à 4 maal zo hoog als bij de autochtone bevolking; bij sommige van de nieuwe loopt dit op tot het zevenvoudige. Vooral onder uitkeringsgerechtigde en oudere allochtonen komen veel lage inkomens voor (resp. 63% en 38%). Door de verslechterende arbeidsmarkt loopt de armoede bij de niet-westerse allochtonen vanaf 2002 weer op.

Nieuwe immigranten van niet-westerse oorsprong hebben relatief vaak een laag inkomen. Hun inkomenspositie verbetert naarmate zij langer in Nederland zijn. Het vinden van werk speelt daarbij een belangrijke rol.

De startpositie van recente immigranten is in de periode 1997-2001 verbeterd. Dit hangt samen met het afnemende aandeel asielmigranten en gezinsherenigers.

Gunstige positie ouderen

Het aandeel 65-plussers met een laag inkomen is de laatste tien jaar sterk gedaald. In 1995 was het percentage lage inkomens in deze groep nog hoger dan bij de 18-64 jarigen (21% tegenover 14%), maar in 2003 was dit andersom (7% tegenover 11%). 65-plussers met een minimuminkomen ontvangen 64% van het doorsnee (het mediane) inkomen; dat is beduidend meer dan bij de groep jonger dan 65 jaar (53%). Dit komt onder andere door een aantal belastingmaatregelen (de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek). Een laag inkomen is onder 65-plussers echter wel vaker langdurig dan bij jongeren.

Mensen ouder dan 65 jaar zijn in veel opzichten ook minder sociaal uitgesloten dan jongeren. 65-plussers komen gemiddeld gunstiger uit op de aspecten 'materiële achterstand', 'toegang tot instanties' en 'een veilige en goede woonomgeving'. Alleen bij het aspect 'sociale participatie' blijven gepensioneerden wat achter, het meest bij de 75-plussers.  Bij de groep die voor de pensioengerechtigde leeftijd staat is de problematiek groter: de 55-64 jarigen hebben vaker een laag inkomen en ervaren meer sociale uitsluiting dan 65-plussers.

De gunstige positie van ouderen roept de vraag op of het armoedebeleid zich niet meer zou moeten richten op de daadwerkelijke achterstand: 65-plussers met een (langdurig) laag inkomen en de achterblijvende sociale participatie van ouderen.

Gemeenten en postcodegebieden met veel armoede

In 2002 was het percentage lage inkomens per gemeente het hoogst in Rotterdam en Amsterdam (17%). De overige gemeenten met een hoge score komen lager uit (13 à 15%). Tot deze groep behoren onder andere Den Haag, Enschede, Groningen, Heerlen, Nijmegen, Reiderland, Roermond en Vaals.  In al deze gemeenten is het percentage lage inkomens sinds 1994 sterk gedaald.

De postcodegebieden met het hoogste percentage lage inkomens bevonden zich in 2002 in Den Haag (Schilderswijk-Noord, 35%; Schilderswijk-West, 30%) en Rotterdam (Spangen, 33%; Nieuw Mathenesse, 32%; het Oude Westen, 30%).

Lage inkomens wonen dichter bijeen, maar geen buurteffecten

In de periode dat de armoede nog afnam (1994-2002) blijkt de ruimtelijke segregatie te zijn toegenomen: huishoudens met een laag inkomen zijn meer in bepaalde woongebieden geconcentreerd. Dit verschijnsel doet zich bij kleineregemeenten meer voor dan bij grotere. Ook in Rotterdam, Den Haag en Utrecht is de segregatie tussen 1994 en 2002 echter toegenomen (in Amsterdam bleef ze vrijwel gelijk). Selectieve migratie was hiervan een belangrijke oorzaak; niet-arme huishoudens vertrokken uit arme wijken en in de vrijkomende woningen kwamen veelal huishoudens met een laag inkomen.

Het gescheiden leven van arme huishoudens kan in theorie hun ongunstige situatie bestendigen als er 'armoedeculturen' ontstaan, of wanneer wijken met een eenzijdige samenstelling weinig mogelijkheden bieden om aan armoede te ontsnappen (zwakke arbeidsmarkt, beperkte sociale netwerken, gebrek aan goede scholen en kinderopvang). Uit een nadere analyse blijkt echter dat de zelfstandige effecten op armoede van de buurt waarin men woont vrij beperkt zijn.

Armoedeval heeft in de praktijk weinig effect

In het beleid is de laatste jaren veel aandacht besteed aan het verkleinen van de armoedeval. Dit is de situatie waarin het voor mensen financieel niet aantrekkelijk is om (meer) te gaan werken, omdat zij dan hun aanspraken zouden verliezen op voorzieningen zoals de huursubsidie, bijzondere of aanvullende bijstand, of kwijtscheldingsregelingen. De armoedeval is maar voor een deel van de lage inkomensgroep van mogelijk belang; in 2003 ging het om een kleine kwart miljoen huishoudens met een uitkering. Dit zijn vooral alleenstaanden jonger dan 65 jaar (45%) en eenoudergezinnen (25%). Het gedrag lijkt in de praktijk bovendien niet erg te worden beïnvloed door de ontvangst van inkomensafhankelijke regelingen. Op zich blijken uitkeringsgerechtigde ontvangers van zulke regelingen minder vaak een baan te zoeken, te aanvaarden of het aantal gewerkte uren uit te breiden. Deze samenhang verdwijnt echter wanneer men rekening houdt met de invloed van andere factoren (leeftijd, geslacht, opleiding, gezondheid).


Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2005 / Armoedemonitor 2005 / Persbericht: Armoedemonitor 2005

Menu