logo

Persbericht: Publieke productie & persoonlijk profijt

20 juli 2009

Profijt van de overheid

• In de publieke dienstensector ging in 2003 een bedrag om van 185 miljard euro.

• In de periode 1990-2003 lag het aandeel van de collectieve financiering van dit bedrag vrijwel onveranderd rond de 60%.

• In diezelfde periode groeide de productie van de publieke diensten met gemiddeld 1,6% per jaar, terwijl de reële kosten met gemiddeld 3,2% per jaar toenamen.

• In de marktsector bedroeg de groei van de productie gemiddeld 2,7% per jaar, terwijl hier de reële kosten met gemiddeld 2,2% per jaar toenamen.

• Bij de publieke diensten steeg de reële kostprijs met gemiddeld 1,6% per jaar (in het onderwijs 2% per jaar); in de marksector nam deze af met gemiddeld 0,5% per jaar.

• Productiegroei deed zich vooral voor bij asielvraagstukken (16% per jaar), kinderopvang (11%), verstrekking van geneesmiddelen (ruim 7%) en het gevangeniswezen (6%).

• Een daling vond plaats bij in delen van het onderwijs, bij de verzorgingshuizen en bij de uitvoering van de sociale zekerheid.

• In 2003 profiteerden huishoudens voor ruim 41 miljard euro van door de overheid bekostigde regelingen en voorzieningen.

• Lagere- en middeninkomens profiteerden nagenoeg evenveel (28%) van de onderzochte voorzieningen, terwijl de hogere inkomens aanmerkelijk meer (39%) profijt hadden. Dit laatste betrof vooral de uitgaven aan onderwijs, cultuur, volkshuisvesting en kinderopvang.

• Tussen 1977 en 2003 steeg het profijt van de 40% laagste inkomens van 21% naar 32%, terwijl het profijt van de 40% middeninkomens daalde van 46% naar 38%.

 

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Publieke productie & persoonlijk profijt. De productie van publieke diensten en het profijt van de overheid 1990 - 2003 , die op donderdag 28 september jl. is verschenen. In het rapport geven de onderzoekers dr. Bob Kuhry en drs. Evert Pommer een beeld van de productie van publieke diensten in de periode 1990-2003 en het profijt dat huishoudens hierdoor hadden van de betrokken overheidsuitgaven. Aan de orde komen diensten als onderwijs, zorg, politie en justitie, en sociale zekerheid, waarbij nader ingegaan wordt op de productie, kosten, personeel en productiviteit van deze diensten. Verder wordt aandacht besteed aan de vraag we lke groepen burgers meer of minder 'profiteren' en welke ontwikkelingen zich hierin voordoen.

Kerncijfers productie

In de publieke dienstensector ging in 2003 een bedrag om van 185 miljard euro, wat overeenkomt met ruim 40% van het bruto binnenlands product (bbp) in dat jaar. In de periode 1990-2003 lag bij deze diensten het aandeel van de collectieve financiering in de totale kosten vrijwel onveranderd rond de 60%. Alleen bij de volkshuisvesting en het openbaar vervoer is in het midden van de jaren negentig het aandeel van de collectieve bijdrage substantieel gedaald door het terugtreden van de overheid. Door verzelfstandiging en privatisering is het aandeel van de direct aangestuurde overheidsorganisaties gedaald van 38% in 1990 naar 25% in 2003.

Ongeveer de helft van de totale kosten van de publieke dienstensector wordt in dit rapport nader geanalyseerd. Dit deel omvat voorzieningen die individuele burgers ten goede komen, zoals onderwijs, zorg, politie en justitie, volkshuisvesting, openbaar vervoer, cultuur en recreatie en sociale zekerheid. Het productievolume van deze publieke diensten nam in de periode 1990-2003 toe met gemiddeld 1,6% per jaar, terwijl de reële kosten met gemiddeld 3,2% per jaar toenamen. In de marktsector bedroeg de gemiddelde jaarlijkse groei van het productievolume 2,7%, terwijl de reële kosten met gemiddeld 2,2% per jaar toenamen. De relatieve kostprijs van publieke diensten steeg hierdoor met circa 1,6% per jaar, terwijl de relatieve kostprijs in de marktsector met 0,5% per jaar daalde. De toename in de publieke dienstensector ligt deels aan een stijging van de reële personeelskosten per arbeidsjaar en deels aan een toenemende inzet van materiële middelen.

Productie naar sector

Terwijl in de publieke dienstverlening als geheel de groei van het productievolume 1,6% per jaar bedroeg, deed zich een sterke groei voor bij de asielvraagstukken (16% per jaar), de kinderopvang (11%), de verstrekking van geneesmiddelen (ruim 7%) en in het gevangeniswezen (6%). Een iets minder sterke groei deed zich voor bij de geestelijke gezondheidszorg, de thuiszorg en de belastingdienst (3 à 4% per jaar). Een daling of zeer geringe groei trad op bij het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (demografische factoren), het wetenschappelijk onderwijs (studiefinanciering), de verzorgingshuizen (extramuralisering) en de uitvoering van de sociale zekerheid (conjunctuur en privatisering Ziektewet).

De zorgsector als geheel vertoonde een volumegroei van gemiddeld 2,3% per jaar. Deze groei was voor de helft toe te schrijven aan de vergrijzing en voor de andere helft onder meer aan de groei van de geestelijke gezondheidszorg, de thuiszorg en de verstrekking van medicijnen. Opmerkelijk is overigens dat de consumptie van medische diensten tussen 1990 en 2003 min of meer gelijke tred heeft gehouden met de welvaartsgroei.

Onderwijs als geheel vertoont een productiegroei van 0,8% per jaar. Dit cijfer wordt gedrukt door de demografische teruggang van het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs, terwijl het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderzoek een opwaarts effect hebben op de totale productiegroei in het onderwijs (met 2,5 respectievelijk 1,6% groei).

Kostprijs naar sector

Tegenover de stijging van de relatieve kostprijs van publieke diensten met gemiddeld met 1,6% per jaar stond een daling van de relatieve kostprijs in de marktsector met 0,5% per jaar. In de zorgsector steeg de relatieve kostprijs met gemiddeld 1,2% per jaar, in het onderwijs met ruim 2% per jaar. Deze laatste groei werd voornamelijk veroorzaakt door de toenemende reële personeelskosten per arbeidsjaar ( o.a. vergrijzing) en de betrekkelijk lage groei van de arbeidsproductiviteit.

De lage groei van het productievolume in de jaren negentig ging bij politie en justitie gepaard met een zeer aanzienlijke toename van de reële kosten per eenheid product. Deze sterke verhoging was mogelijk toe te schrijven aan een steeds 'taaier' wordende problematiek: georganiseerde misdaad, toenemende professionaliteit van advocatenkantoren en steeds meer beroepsprocedures. De laatste jaren is de verhouding tussen prestaties en kosten echter sterk verbeterd (met 3% per jaar).

Kerncijfers profijt

In 2003 profiteerden huishoudens voor ruim 41 miljard euro van door de overheid bekostigde regelingen en voorzieningen. Tot deze overheidsuitgaven worden ook bijzondere fiscale faciliteiten gerekend, zoals de aftrek van studiekosten en ziektekosten en de beperkte bijtelling van inkomsten uit de eigen woning. Met deze fiscale faciliteiten was in 2003 een bedrag van 4 miljard euro gemoeid.

Het profijt van de overheid was in 2003 in constante koopkracht bijna 25% hoger dan in 1991 en bijna 15% hoger dan in 1999. De sectoren die relatief het meest hebben bijgedragen aan deze groei zijn de compensaties voor bijzondere bestaanskosten, gevolgd door de maatschappelijke dienstverlening, de culturele en recreatieve voorzieningen en het onderwijs. De overheidsuitgaven voor volkshuisvesting en openbaar vervoer zijn medio jaren negentig fors gedaald, maar tonen sinds kort weer een stijgende lijn.

Profijt naar sector

Wanneer huishoudens worden ingedeeld naar drie gelijke groepen van lagere, midden- en hogere inkomens, dan blijkt dat lagere- en middeninkomens nagenoeg evenveel (28% à 29%) profijt hebben van de onderzochte voorzieningen, terwijl de hogere inkomens aanmerkelijk meer (39%) profiteren.

Onderwijsuitgaven komen vooral ten goede aan de hogere inkomens. Daarbij zijn de uitgaven aan onderwijs en studiefinanciering voor 18-plussers toegerekend aan de ouderlijke huishoudens. De hogere inkomens ontvangen ruim 50% van de onderwijsuitgaven en de lagere inkomens nog geen 15%.

Bij de zorgverzekering is uitgegaan van het zorgstelsel in 2003. De lagere inkomens in het ziekenfonds betaalden toen minder en de hogere inkomens meer premie dan op grond van een gemiddelde particuliere schadepolis verwacht zou mogen worden.

De overheidsuitgaven voor de volkshuisvesting komen door de gunstige fiscale behandeling van de eigen woning vooral ten goede aan de hogere inkomens, maar ook de lagere inkomens profiteren via de huurtoeslag van de overheid. Dit gaat ten koste van de middeninkomens. De fiscale faciliteiten voor de eigen woning kosten de overheid twee keer zo veel als de huurtoeslag.

Ook de uitgaven voor cultuur en recreatie komen vooral ten gunste van de hogere inkomens. Culturele en recreatieve voorzieningen worden vooral gebruikt door gezinnen met kinderen, en gezinnen met kinderen hebben doorgaans een hoger besteedbaar inkomen. Bij culturele voorzieningen gaat het in belangrijke mate om uitingen van de klassieke cultuur en het bezoek daarvan hangt sterk samen met opleidingsniveau en (daardoor) met inkomen.

De overheidsuitgaven voor maatschappelijke dienstverlening komen vooral ten goede aan de lagere inkomens, omdat zij het meest gebruik maken van de thuiszorg en de voorzieningen voor gehandicapten. De kinderopvang daarentegen komt vooral ten gunste van de hogere inkomens. Ook hier wordt de verdeling van het profijt sterk bepaald door de specifieke doelgroepen (ouderen, gehandicapten, gezinnen met jonge kinderen) en hun positie in de inkomensverdeling.

Door het intensieve gebruik van het openbaar vervoer door studenten slaat een groot deel van het profijt van de betrokken overheidsuitgaven neer in de laagste inkomensgroep. De laagste inkomensgroep bestaat overwegend uit studenten van 18 jaar en ouder, die in dit rapport als zelfstandige huishoudens zijn aangemerkt. Vanaf de tweede inkomensgroep is het profijt veel lager, maar het loopt dan wel geleidelijk op om uiteindelijk te verdubbelen in de hoogste inkomensgroep.

Bijna 60% van de uitgaven voor bestaanskosten (bijzondere bijstand, kwijtschelding van lokale heffingen en fiscale aftrek van buitengewone ziektekosten) komt ten goede aan de 40% huishoudens met de laagste inkomens en ruim 12% aan de 20% huishoudens met de hoogste inkomens. Dit laatste is voornamelijk het gevolg van de fiscale compensatie wegens buitengewone ziektekosten.

Profijt in de tijd

De verdeling van het profijt van de overheid over de verschillende inkomensgroepen kan ook over een wat langere termijn worden bezien. Over een periode van ongeveer 25 jaar blijkt het aandeel in het profijt van de 40% laagste inkomens gestegen van 21% in 1977 naar 32% in 2003; het aandeel van de middelste 40% inkomens is gedaald van 46% naar 38% en het aandeel van de 20% hoogste inkomens van 33% naar 30%. Deze verschuiving ten gunste van de lagere inkomensgroepen heeft zich hoofdzakelijk in de periode 1991-1999 voltrokken. Door bepaalde beleidsontwikkelingen in de sectoren volkshuisvesting en zorgverzekering is de verschuiving richting lagere inkomens vooral ten koste gegaan van de middeninkomens. Ook de uitgaven voor onderwijs zijn in deze periode iets meer ten gunste van de lagere inkomensgroepen gekomen, maar dit komt vooral door demografische factoren. Deze ontwikkeling heeft zich echter tussen 1999 en 2003 niet doorgezet: de verhouding tussen de inkomensgroepen in de mate van genoten profijt zijn in de periode 1999-2003 nagenoeg ongewijzigd gebleven. In de jaren negentig bleek vooral de positie van de middeninkomens te zijn verslechterd, ten gunste van de lagere inkomens. De middeninkomens bleken toen zowel het 'slachtoffer' te zijn van betrekkelijk autonome ontwikkelingen waardoor de hogere inkomens wat meer profiteerden van de overheidsuitgaven, als van beleidsontwikkelingen die inkomensafhankelijke voorzieningen steeds meer hebben toegesneden op lagere inkomensgroepen. Dit heeft ertoe geleid dat de middeninkomens nagenoeg evenveel betalen voor de verzorgingsstaat als zij dankzij het gebruik van voorzieningen ontvangen.



Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2006 / Publieke productie & persoonlijk profijt / Persbericht: Publieke productie & persoonlijk profijt

Menu