logo

Persbericht: Verschillen in verzorging

05 februari 2009

Nederlandse oudere in Europa: minder informele, meer formele verzorging

  • Gemiddeld ondervindt 14% van de 50-plussers in de onderzochte EU-klanden een verzorgingsprobleem door lichamelijke, psychische of cognitieve beperkingen.
  • Het aantal 50-plussers met verzorgingsproblemen is relatief hoog in Italië, Spanje en Frankrijk (ruim 16%) en relatief laag in Denemarken, Zweden en Oostenrijk (circa 12%). In Nederland is dit 13%. Opmerkelijk is de lage score voor Griekenland (10%).

  • Driekwart van de 50-plussers met een verzorgingsprobleem beschikt over een informeel netwerk van gezins- of familieleden. In Nederland is dit 80%.

  • Van de 50-plussers met een verzorgingsprobleem ontvangt circa 30% formele hulp, circa 40% alleen informele hulp en circa 30% geen hulp.

  • Nederlandse 50-plussers met verzorgingsproblemen ontvangen naar verhouding veel vaker formele hulp (42%) en zijn minder afhankelijk van alleen informele hulp (25%).

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie V erschillen in verzorging. De verzorging van ouderen in negen EU-landen , die op donderdag 12 april jl. is verschenen. In deze publicatie geven drs. Evert Pommer, dr. Edwin van Gameren, drs. John Stevens en dr. Isolde Woittiez op basis van het Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe (SHARE, een groot Europees onderzoek onder 50-plussers uit 2004), een beeld van de verzorgingsproblemen die ouderen in een negental EU-landen ondervinden, de personen en instanties die hen daarbij zouden kunnen helpen en de zorg die zij in de praktijk ontvangen. Daarbij is niet alleen gekeken naar de informele hulp die zij ontvangen maar ook naar de formele hulp verleend door particulieren of door de overheid. Hoewel veel informatie beschikbaar is over de inrichting van de langdurige verzorging in de verschillende EU-landen, was tot op heden nog maar weinig bekend over de feitelijke situatie waarin mensen verkeren. Eveneens was nog weinig bekend over de betekenis van de verschillende zorgstelsels voor de dagelijkse praktijk. De in het onderzoek betrokken landen zijn: Nederland, Denemarken, Zweden, Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Griekenland.


Nederlandse ouderen hebben minder beperkingen maar ondervinden daar wel meer hinder van

Ongeveer eenderde van de 50-plussers in de onderzochte Europese landen ondervindt een beperking van lichamelijke, psychische of cognitieve aard. Ongeveer een kwart ondervindt lichamelijke beperkingen, maar er is een grote mate van overlap in beperkingen: 70% van de personen met een psychische of cognitieve beperking ondervindt ook een lichamelijke beperking.

In de zuidelijke landen zijn er relatief veel mensen met beperkingen, in Nederland en de noordelijke landen relatief weinig. Dit heeft te maken met achterliggende factoren als leeftijd en opleiding. Zo vergroot een hoge leeftijd de kans op lichamelijke beperkingen en een laag opleidingsniveau de kans op cognitieve beperkingen. Beide factoren spelen in de zuidelijke landen naar verhouding wat meer een rol dan in de noordelijke landen.

De beperkingen vormen overigens niet altijd een belemmering in het dagelijks functioneren. Gemiddeld ervaart ruim 40% van de 50-plussers met beperkingen zodanige gezondheidsproblemen, dat zij daar hinder van ondervinden in het dagelijks functioneren. Op dat moment is er sprake van een verzorgingsprobleem. Het aandeel 50-plussers met een verzorgingsprobleem is lager in de zuidelijke landen dan in de noordelijke landen.

Per saldo ondervindt gemiddeld 14% van alle 50-plussers in de onderzochte landen een verzorgingsprobleem. De verschillen tussen de landen lopen op van 10% in Griekenland tot 17% in Italië. Nederland neemt met 13% een middenpositie in.


Nederlandse ouderen beschikken over een relatief groot informeel netwerk

Ongeveer 75% van de 50-plussers met een verzorgingsprobleem beschikt over een informeel netwerk van gezins- of familieleden. Buren en kennissen worden niet tot het informele netwerk gerekend, maar kunnen wel informele hulp verlenen. Ouderen in Frankrijk, Oostenrijk en Denemarken hebben een minder groot informeel netwerk, terwijl Nederlandse, Griekse en Italiaanse ouderen over een betrekkelijk ruim informeel netwerk beschikken.

Dat betekent overigens niet dat alle informele hulp in de praktijk ook beschikbaar is, omdat mogelijke hulpverleners zelf met beperkingen te maken hebben of een voltijd baan hebben. Wanneer deze gezins- en familieleden niet worden meegerekend daalt de omvang van het informele netwerk van gemiddeld 75% naar krap 60%. Nederland neemt hier met 67% een relatief gunstige positie in, mede door het hoge aantal niet voltijd werkende vrouwen.


Minder gebruik van informele zorg door Nederlandse ouderen

Van de personen met een verzorgingsprobleem ontvangt bijna 45% informele zorg. Opmerkelijk is dat er grote verschillen zijn tussen de landen waar het gaat om de beschikbaarheid en het gebruik van informele zorg. Zo is de beschikbaarheid van informele hulp het grootst in Nederland en het laagst in Frankrijk, terwijl het gebruik het hoogst is in Oostenrijk en het laagst in Nederland. Een grotere beschikbaarheid van informele hulp leidt dus niet vanzelfsprekend tot meer gebruik van informele zorg. Nederland is hiervan een treffend voorbeeld. De intensiteit van de informele zorg verschilt ook aanzienlijk. Met name in de zuidelijke landen verlenen partners of kinderen vaak dagelijks of wekelijks hulp aan hun hulpbehoevende familieleden. In de noordelijke landen en Nederland is de hulp minder intensief, en komt dagelijkse hulp veel minder voor. Met de recente introductie van de 'gebruikelijke zorg' is in Nederland het streven erop gericht dat gezinsleden meer voor elkaar gaan zorgen,


Meer gebruik van formele zorg door Nederlandse ouderen

Van de 50-plussers met een verzorgingsprobleem ontvangt circa 30% formele hulp (naast eventuele informele hulp), circa 40% alleen informele hulp en circa 30% geen hulp. De formele hulp kan zowel bestaan uit publieke zorg (thuiszorg) als private zorg (huishoudelijke hulp). In Frankrijk, Nederland en Denemarken ontvangen relatief veel ouderen met beperkingen formele zorg, terwijl Griekenland zich kenmerkt door een bijzonder laag niveau van formele zorg. Ook in Italië en Spanje wordt op beperkte schaal formele zorg verstrekt. In Nederland en Denemarken ligt zowel de thuiszorg als de intramurale zorg op een hoog niveau, in Frankrijk betreft dit vooral de thuiszorg. Wel blijkt dat informele en formele zorg elkaar veelal aanvullen bij huishoudelijke taken en elkaar veelal vervangen bij verplegende en verzorgende taken. Nederland neemt bij de huishoudelijke zorg een uitzonderingspositie in, met relatief veel formele en weinig informele zorg.

Het familiale model onder grote druk

Het mediterrane familiale model (waarbij de familie in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de zorg) staat de laatste jaren onder grote druk. Dit is een gevolg van o.a. de afname van het aantal gezinnen met kinderen, de toename van het aantal werkende vrouwen en het feit dat familieleden staat verder van elkaar af wonen. Het familiale model wordt in de mediterrane landen in belangrijke mate in stand gehouden door het inhuren van migranten uit Oost-Europese en niet-Europese gebieden. Deze wijze van verzorging door migranten is in landen als Spanje, Italië en Griekenland de laatste jaren een veel voorkomende variant.


 

Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2007 / Verschillen in verzorging / Persbericht: Verschillen in verzorging

Menu