logo

Persbericht: Gestruikeld voor de start

17 februari 2009

Veel voortijdig schoolverlaters vanuit het mbo

  • Van de 53.000 voortijdig schoolverlaters in 2005/'06 zijn er 35.000 afkomstig uit het mbo en 18.000 uit het voortgezet onderwijs.
  • Het op ruime schaal tot het mbo toelaten van leerlingen zonder vmbo-diploma werkt uitval uit het mbo in de hand.

  • Om de doelstellingen te kunnen halen, moet het aantal voortijdig schoolverlaters de komende jaren in versneld tempo omlaag

  • In vergelijking met andere EU-landen presteert Nederland bij het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten gemiddeld. Het aantal Nederlandse jongvolwassenen met een startkwalificatie ligt onder het EU-gemiddelde.

  • Op scholen voor voortgezet onderwijs met veel allochtone leerlingen is het risico van uitval groter.

  • Niet-westerse allochtone leerlingen, leerlingen uit eenoudergezinnen en leerlingen in de vier grote steden lopen een verhoogd risico op uitval. 

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Gestruikeld voor de start. De school verlaten zonder startkwalificatie, die op dinsdag 26 augustus jl. is aangeboden aan staatssecretaris J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart van OCW. In het rapport geeft onderzoeker drs. Lex Herweijer een overzicht van de vorderingen die zijn gemaakt met het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten.

Een voortijdig schoolverlater is een jongere die zonder startkwalificatie - diploma havo, vwo of mbo-2 - uit het onderwijs vertrekt. Aandacht wordt besteed aan de knelpunten in de route naar de startkwalificatie en de achtergronden van voortijdig schoolverlaters. Daarnaast worden de prestaties van het Nederlandse onderwijs afgezet tegen die van andere landen in de Europese Unie.


Meeste uitval uit het mbo

Van de ruim 53.000 voortijdig schoolverlaters in 2005/'06 zijn er 35.000 afkomstig uit het mbo (9,3% van het totaal aantal leerlingen in het mbo) en 18.000 uit het voortgezet onderwijs (2% van het totaal aantal leerlingen in het vo) . In het voortgezet onderwijs hebben 11.000 voortijdig schoolverlaters geen enkel diploma,7.000 leerlingen haken af nadat ze een vmbo-diploma hebben gehaald. In het voortgezet onderwijs is het risico van uitval hoog op het laagste niveau van het vmbo en bij leerlingen die vanwege leerachterstanden extra ondersteuning nodig hebben. In het mbo vallen veel leerlingen uit op de twee laagste niveaus.


Drempelloze doorstroom naar het mbo werkt uitval in de hand

Ruim de helft van alle leerlingen uit het vmbo-leerjaar 4 die in 2005/'06 geen diploma haalden, maakte gebruik van de mogelijkheid om zonder vmbo-diploma over te stappen naar het mbo ('drempelloze doorstroom'). Het aantal voortijdig schoolverlaters in het voortgezet onderwijs blijft hierdoor laag, maar in het mbo lopen deelnemers zonder vmbo-diploma vervolgens weer wel een grotere kans op uitval. Bijna 13.000 (35%) van de 35.000 deelnemers die zonder startkwalificatie uit het mbo vertrekken haalde eerder ook al geen vmbo-diploma. Een klein deel van deze groep (een op de vijf) heeft wel een opleiding op mbo-1 niveau voltooid, maar dat is te weinig voor een startkwalificatie.

Eerder bijspijkeren van achterstanden

Van een deel van de leerlingen in het vmbo schieten de basisvaardigheden (lezen, rekenen) ernstig tekort. Door de drempelloze toelating worden de problemen en risico's die dit met zich meebrengt doorgeschoven naar het mbo. Dit zet zowel het rendement als het niveau van het mbo onder druk. Door achterstanden eerder bij te spijkeren, te beginnen in het basisonderwijs en daarna in het vmbo, kan de voorbereidende functie van het vmbo worden versterkt.


Maximaal 35.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2012

Op grond van de afspraken, gemaakt tijdens het Lissabon-overleg (2000) van de EU, moet in 2012 het aantal scholieren dat jaarlijks zonder startkwalificatie uit het voortgezet onderwijs of het mbo vertrekt zijn teruggebracht tot 35.000. In het schooljaar 2006/'07 waren er 53.000 voortijdig schoolverlaters. Van 2004 op 2005 verminderde het aantal voortijdig schoolverlaters met 6.000, maar het laatste jaar was de afname slechts 1.000. Voor eerdere jaren zijn er geen vergelijkbare cijfers. Om de doelstelling voor 2012 te halen zal het aantal voortijdig schoolverlaters in versneld tempo omlaag moeten.


Vooruitgang op EU-indicatoren, maar waarschijnlijk worden de doelen in 2010 niet gehaald

Nog twee andere streefcijfers komen voort uit Europese afspraken: het aantal voortijdig schoolverlaters in de bevolking van 18-24 jaar mag in Nederland in 2010 ten hoogste 8% bedragen en 85% van de 20-24 jarigen moet in dat jaar een startkwalificatie hebben. De Nederlandse scores op deze EU-indicatoren zijn sinds 2000 geleidelijk aan verbeterd, maar met nog drie jaar te gaan is de kloof met de doelstelling nog steeds groot, vooral voor de startkwalificatie.



2000

2002

2004

2005

2006

2007


2010a

totaal voortijdig schoolverlaters in bevolking 18-24 jaar (%)


15,5

15,0

14,0

13,6

12,9

12,0


8,0

20-24 jaar met startkwalificatie (%)

71,9

73,1

75,0

75,6

74,7

76,2


85,0

a streefcijfers



Nederland met voortijdig schoolverlaten in de Europese middenmoot

In vergelijking met andere landen in Europese Unie (de oude EU-15) presteert het Nederlandse onderwijs bij het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten niet beter dan de middenmoot. In 2006 was in Nederland bijna 13% van de 18-24 jarigen voortijdig schoolverlater. Dat aandeel ligt ongeveer even hoog in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk. In de best presterende landen lag dit aandeel beneden de 10% (Finland, Oostenrijk en -buiten de Unie- Zwitserland en Noorwegen).

Met een score van bijna 75% voor het bezit van een startkwalificatiebezit zat Nederland onder de middenmoot. Goed presterende landen hadden in 2006 al een score rond het niveau van de Lissabondoelstelling van 85%. Sinds 2000 is Nederland op beide maatstaven iets naar voren opgeschoven in de Europese rangorde.


Groeiend aantal zorgleerlingen in het voortgezet onderwijs

Naast de 53.000 voortijdig schoolverlaters uit het voortgezet onderwijs en het mbo, zijn er nog ruim 6.000 leerlingen die zonder startkwalificatie uit het speciaal onderwijs of het praktijkonderwijs komen. Zij tellen niet mee voor de beleidsdoelstelling van maximaal 35.000 voortijdig schoolverlaters in 2012, maar vormen wel een kwetsbare groep die de afgelopen jaren in omvang is toegenomen. Ook het aantal vmbo-leerlingen met een indicatie voor leerwegondersteuning neemt toe. Inmiddels behoort al 17% van de leerlingen tot een van de zorgcategorieën(leerwegondersteuning, praktijkonderwijs, speciaal onderwijs). Begin jaren 90 van de vorige eeuw was dat nog 10%.


Grote scholen voor voortgezet onderwijs zijn geen risicofactor, wel scholen met veel allochtone leerlingen

Leerlingen op grote scholen voor voortgezet onderwijs lopen geen grotere kans op uitval dan leerlingen op kleine scholen. De schaalvergroting van de jaren negentig van de vorige eeuw lijkt dus geen invloed te hebben gehad op het voortijdig schoolverlaten. Waarschijnlijk ondervangen grote scholen de mogelijke nadelen van grootschaligheid door de zorg en begeleiding op een lager niveau - dicht bij de leerling - te organiseren. Wel is er een verhoogd risico van uitval op voortgezet onderwijsscholen met veel niet-westerse allochtone leerlingen.


Hoge uitval niet-westerse allochtone leerlingen

In het voortgezet onderwijs hebben 4.000 van de 18.000 voortijdig schoolverlaters een niet-westerse achtergrond; in het mbo geldt dit voor 10.000 van de in totaal 35.000 voortijdig schoolverlaters.

Binnen de groep niet-westerse allochtone leerlingen is de uitval van de eerste generatie weer hoger dan die van de tweede generatie. In het voortgezet onderwijs is iets meer dan één op de vijf niet-westerse allochtone leerlingen van de eerste generatie; in het mbo één op de drie.

In het mbo werkt het grote aantal niet-westerse allochtone deelnemers dat zonder vmbo-diploma aan het mbo is begonnen uitval in de hand. Het maakt hun uitval uit het mbo extra problematisch: van de 10.000 niet-westerse allochtone voortijdig schoolverlaters uit het mbo hebben er 4.200 geen enkel diploma.


Veel uitval van kinderen uit eenoudergezinnen en in de grote steden

De uitval van leerlingen uit eenoudergezinnen is ongeveer twee keer zo hoog als die van kinderen uit gezinnen met twee ouders. Ook kinderen van laag opgeleide ouders en uit gezinnen waar de ouders niet werken lopen een groter risico van uitval. Zowel in het voortgezet onderwijs als in het mbo zijn de uitvalcijfers in de vier grote steden ongeveer twee keer zo hoog als die in kleinere gemeenten met minder dan 100.000 inwoners. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat in de vier grote steden veel niet-westerse allochtonen wonen.


 

Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2008 / Gestruikeld voor de start / Persbericht: Gestruikeld voor de start

Menu