logo

Persbericht 'Gelukkig voor de klas?'

07 juli 2009

Driekwart van de leraren is trots op hun beroep

Gelukkig voor de klas? Leraren voortgezet onderwijs over hun werk.

  • Driekwart van de docenten noemt de omgang met leerlingen als aantrekkelijk aspect van hun werk; meer dan de helft noemt ook de overdracht van vakkennis aan leerlingen aantrekkelijk.

  • Driekwart van de leraren is trots op hun beroep; een meerderheid zou weer leraar worden.

  • In het praktijkonderwijs en het vmbo werken leraren veel meer samen dan in het havo en vwo.

  • De direct leidinggevenden op de eigen school krijgen van de leraren een ruime voldoende, maar het functioneren van de schoolleiding laat volgens de docenten te wensen over.

  • In het vmbo geeft één op de drie leraren naar eigen zeggen (ook) on(der)bevoegd les, in het havo/vwo is dat één op de zeven.

  • Jongere leraren hebben minder vaak een eerstegraadsbevoegdheid dan oudere leraren.

  • De komende jaren zullen vooral in voltijd werkende, veelal mannelijke, leraren met pensioen gaan, terwijl de jonge leraren, meestal vrouwen, vooral in deeltijd werken.

  • Oudere leraren die in hun opleiding veel vakkennis maar minder pedagogisch-didactische vaardigheden hebben opgedaan, maken langzamerhand plaats voor jongere leraren die juist sterk pedagogisch-didactisch maar minder vakinhoudelijk onderlegd zijn.

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Gelukkig voor de klas? Leraren voortgezet onderwijs over hun werk , die op dinsdag 7 juli jl. is aangeboden aan staatssecretaris J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart van OCW. In het rapport laat onderzoeker dr. Ria Vogels leraren uit het voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo) aan het woord over de motivatie van hun beroepskeuze, de invulling van het docentschap, en het werkplezier c.q. de frustraties die zij ervaren. Leraren blijken redelijk tevreden met hun werk, al is er ook kritiek.

In het voortgezet onderwijs werken circa 77.000 leraren. Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van een representatieve steekproef, waaraan ruim 2700 leraren meewerkten. Het onderzoek kwam tot stand met financiële steun van het ministerie van OCW.

Tevredenheid en plezier in het werk

Driekwart van de leraren (76%) is trots op hun beroep en vindt de voordelen van het leraarschap groter dan de nadelen (73%). Iets meer dan de helft (56%) zou weer leraar worden, maar een minderheid (20%) zou het zoon of dochter zeker aanbevelen. De omgang met leerlingen noemt driekwart (77%) van de docenten als aantrekkelijk aspect van het werk; meer dan de helft (53%) noemt (ook) de overdracht van vakkennis aan leerlingen. Leraren zijn redelijk tevreden over hun beroep. Op een schaal van 1 t/m 5 scoren zij gemiddeld een 3,6. Er bestaat echter ook onvrede onder leraren over de werkdruk, de grote klassen en het functiewaarderingssysteem.

Frustraties over het functiewaarderingssysteem

Bij de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem in 2002 werd een kwart van de leraren in een lager functieniveau geplaatst. Dit gebeurde weliswaar met behoud van het oude salaris, maar de verandering is als een degradatie ervaren. Dit geldt vooral voor oudere, ervaren eerstegraadsdocenten. Van hen zit 41% (academici met onderwijsaantekening) tot 46% (mo B) in het laagste functieniveau. Van de jongere leraren met een universitaire lerarenopleiding zit 70% op dat functieniveau. Werkgevers en werknemers in het onderwijsveld hebben vorig jaar afspraken gemaakt om bij de functiewaardering wel meer rekening te houden met de bevoegdheidsgraad, maar niet met het type opleiding (hbo of wo).

Verschuiving in beroepsopvattingen

Van de 55-plussers heeft 40% een (overwegend) vakinhoudelijke opleidingsachtergrond, namelijk via universitaire opleidingen (een kwart) en via middelbaar onderwijs aktes (mo). Van de leraren jonger dan 35 jaar heeft 19% een universitaire opleiding (bij deze categorie geen mo meer). Dit betekent dat oudere leraren met een overwegend vakinhoudelijk gerichte opleiding geleidelijk vooral worden vervangen door jongere leraren met een hbo-opleiding met meer pedagogische, didactische en beroepsgerichte vaardigheden maar met minder accent op vakkennis.

Samenwerking tussen leraren neemt een bescheiden plaats in

Samenwerken met collega's geldt als een van de bekwaamheidseisen voor het leraarschap. Voor een meerderheid van de leraren (55%) bestaat collegiale samenwerking uit het uitwisselen van ideeën en methoden, voor een kwart (26%) gaat het om het bieden van hulp als erom wordt gevraagd; 14% van de leraren werkt intensief samen waarbij men elkaar regelmatig om feedback vraagt en elkaars functioneren bespreekt. Intensieve samenwerking komt vaker voor in het praktijkonderwijs en vmbo (waar teamwork en vakintegratie gebruikelijker zijn) dan in het havo en vwo (waar leraren een meer autonome positie innemen). Eén op de twintig leraren geeft aan dat het op de eigen school 'ieder voor zich is'.

On(der)bevoegde leraren achten zich voldoende bekwaam om les te geven

Naar eigen zeggen geeft één op de vijf leraren (ook) les in een vak waarvoor hij of zij niet of niet volledig bevoegd is. In het vmbo gebeurt dat het meest (33%) en in het vwo en op het gymnasium het minst (resp. 16% en 14%). Vrijwel alle leraren die on(der)bevoegd lesgeven (95%) vinden zich bekwaam genoeg om dit te doen. Leraren in het havo/vwo vinden dit minder vaak.

Leraren redelijk kritisch over de schoolleiding

Het oordeel over de direct leidinggevende is redelijk positief (6,7), bijna een op de vijf geeft hem/haar een onvoldoende. De schoolleiding krijgt van de leraren een voldoende (6,0 als rapportcijfer), maar bijna een op de drie geeft de leiding een onvoldoende. Vooral leidinggeven en inspireren in onderwijskundig opzicht wordt als matig (52%) of slecht (28%) beoordeeld. Een ander punt van kritiek betreft het gebrek aan open discussie en het niet serieus nemen van de opvattingen van leraren.

Leraren positief over de kwaliteit van het onderwijs

De kwaliteit van het onderwijs op de eigen school wordt door leraren ruim voldoende bevonden (rapportcijfer 7,0), slechts 6% geeft een onvoldoende. Over de kwaliteit van het voortgezet onderwijs in Nederland is men iets minder positief (6,4).

Kwaliteit lerarenopleidingen kan volgens de leraren beter

Een ruime meerderheid van de leraren (61%) vindt het voor de kwaliteit van het lerarenkorps van groot belang dat de lerarenopleidingen verbeteren. Van hogere toelatingseisen voor de lerarenopleidingen verwacht de helft van de leraren een groot effect.

Naderende pensioengolf

Het voortgezet onderwijs is een sterk vergrijzende sector. Bijna een kwart (23%) van de leraren is 55 jaar en ouder en zal de komende 10 jaar het onderwijs verlaten. Deze groep bestaat voor bijna driekwart (72%) uit overwegend in voltijd werkende mannen. De groep jonge docenten tot 35 jaar bestaat voor bijna 60% uit vrouwen. Tweederde van deze vrouwen werkt in deeltijd, zodat voor de vervanging van de vertrekkende leraren naar verhouding meer docenten nodig zullen zijn.

Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2009 / Gelukkig voor de klas? / Persbericht 'Gelukkig voor de klas?'

Menu