logo

Overall rapportage sociaal domein 2016

Burgers (de)centraal

Door een technisch probleem heeft vanaf het moment van publicatie: 4 december 2017 vanaf 0.01 uur tot 5 december 11.30 uur een onjuiste versie van het rapport online gestaan.

In de nieuwe versie van de Overall rapportage zijn ten opzichte van de eerder gepubliceerde versie verschillen in de conclusies met betrekking tot de regionale verschillen.

De belangrijkste verschillen zijn dat:

* niet langer Zuid-Limburg bij de regio’s hoort die een hoog voorzieningengebruik kennen, terwijl de regio Groot-Amsterdam er bij komt (gecorrigeerd voor bevolkingssamenstelling)

* het gebruik in het midden van het land is niet langer laag (maar gemiddeld, of hoog – nl op de Veluwe (inclusief  Arnhem-Nijmegen))

* de gebieden met een hoog voorzieningengebruik zijn: Noord-Oost Nederland, de Veluwe (inclusief  Arnhem-Nijmegen) en de grootstedelijke regio's (Groot Amsterdam, Rijnmond en Haaglanden).

Het bovenstaande heeft betrekking op het totale gebruik van sociaaldomeinvoorzieningen. Voor het gebruik van voorzieningen per wet verwijzen we naar paragraaf 3.2 van deel B in de rapportage.


Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet. Op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt het SCP periodiek een “Overall Rapportage Sociaal Domein”, die inzicht geeft in ontwikkelingen die zich voordoen in het gedecentraliseerde sociaal domein. De rapportage geeft een landelijk beeld. Deze tweede rapportage bestaat uit 5 delen, die elk vanuit een specifiek perspectief op het sociaal domein zijn opgesteld.

Deel A gaat over kwaliteit van leven en metingen van maatschappelijke uitkomsten in het sociaal domein. Naast speciale aandacht voor financiële problemen ligt de focus op de belangrijkste kernbegrippen in het sociaal domein: kwetsbaarheid, participatie, redzaamheid en eenzaamheid. De uitkomsten worden per onderwerp beschreven, maar ook aan de hand van de overkoepelende kwaliteit-van-leven-index die in de vorige rapportage is ontwikkeld. Daarnaast komen in dit deel de subjectieve uitkomst-metingen aan bod: de cliëntervaringsonderzoeken en gegevens over tevredenheid en geluk. Tot slot geeft het rapport ook uitsplitsingen naar een aantal relevante bevolkingscategorieën. Speciaal voor dit deel is een ‘sociaal domein enquête’ ontwikkeld, die bij meer dan 5000 Nederlanders is afgenomen.

Deel B gaat over de voorzieningen in het sociaal domein. In dit deel komen ontwikkelingen in het gebruik, stapeling en dynamiek van het gebruik en regionale verschillen in gebruik aan de orde. Ten opzichte van de vorige rapportage heeft een kanteling van perspectief plaatsgevonden: nu staan niet meer de drie decentralisatiewetten centraal, maar de gebruikers. Vragen zijn daarbij onder meer: wie zijn de gebruikers, hoeveel zijn het er, hoe stromen ze in en uit en wat is de reden daarvoor? Bij de stapeling en dynamiek is extra aandacht voor de schuldenproblematiek, de overgang van 18min naar 18plus en de relatie met het onderwijs. De gegevens in dit deel zijn vooral afkomstig van registraties.

Deel C bevat kwalitatief onderzoek naar lokale ervaringen in het sociaal domein. Hierbij staan vooral de transformatiedoelen centraal. Voor dit deel zijn gesprekken gevoerd met meer dan 70 personen
in 3 speciaal geselecteerde gemeenten. De geïnterviewde personen zijn gemeenteambtenaar, professional, cliënt, vrijwilliger of mantelzorger. Door deze aanpak ontstaat een beeld van de variëteit in de uitvoering van de decentralisaties en de ervaringen en perspectieven van de mensen die daarbij betrokken zijn. De focus lag voor deze rapportage op het proces om te komen tot lichtere vormen van ondersteuning, enerzijds door de inzet op eigen kracht en informele hulp en anderzijds door de inzet van preventieve activiteiten en algemene voorzieningen. Daarnaast was continuïteit van zorg en ondersteuning bij de overgang naar volwassenheid (18min/18plus) een thema, vanuit het idee dat deze overgang een speciale variant van de integrale aanpak is.

Deel D betreft de bestuurlijke rapportage. Dit deel is evenals de vorige keer uitgevoerd door KPMG-Plexus. De informatie in dit deel is tweeledig: kwantitatieve informatie is verkregen via een enquête onder griffiers en kwalitatieve inzichten zijn gebaseerd op 15 case studies onder gemeenten en een beknopt aantal focusgroepen en verdiepende interviews. In deze rapportage staan drie thema’s centraal. In de eerste plaats sturing en controle: burgerbetrokkenheid en aspecten rondom de rol van de gemeenteraad. In de tweede plaats komen relevante aspecten uit de praktijk aan bod: klachten, wachttijden, fraudepreventie en privacy. Tot slot betreft het derde thema samenwerking in het sociaal domein.

Deel E gaat over de financiën. Twee vragen staan centraal:

  1. Hoe staat het met de financiële weerbaarheid van gemeenten en in welke mate speelt het sociaal domein daarbij een rol?;
  2. Hoe staat het met de gemeentelijke financiën in het sociaal domein?

De relatie tussen de financiële consequenties van sociaal domeintaken en de financiële positie van gemeenten werkt twee kanten uit. Enerzijds is het wenselijk dat de financiële positie van gemeenten gezond is om mogelijke tegenvallers die zich bij de begrotingsuitvoering kunnen voordoen op te kunnen vangen. Anderzijds kunnen de financiële consequenties van de sociaal domeintaken van invloed zijn op de financiële positie van gemeenten.

De Overall rapportage sociaal domein 2015 verscheen in mei 2016.

Van de Overall rapportage sociaal domein 2016 is ook een Samenvatting beschikbaar.

Deze publicatie is in druk verkrijgbaar via de boekhandel. De pdf vindt u hierboven.

Home / Publicaties / Alle publicaties / Publicaties 2017 / Overall rapportage sociaal domein 2016

Menu