Deze publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau onderzoekt wat werk buiten het directe financiële rendement nog meer betekent. Centraal staat de vraag welke effecten het hebben van werk heeft op het welzijn van mensen en op maatschappelijke kosten, met bijzondere aandacht voor mensen met een arbeidsbeperking. Aanleiding voor het onderzoek is de invoering van de Participatiewet in 2015, die leidde tot het sluiten van de sociale werkvoorziening voor nieuwe instroom en daarmee tot een duidelijke scheidslijn tussen groepen mét en zonder toegang tot beschut werk.
De onderzoekers benutten deze beleidswijziging om de gevolgen van het al dan niet hebben van werk te vergelijken. Daarbij kijken zij niet alleen naar inkomen, maar ook naar gezondheid, zorggebruik, sociale participatie en contacten met justitie. Uit de analyses blijkt dat mensen met een arbeidsbeperking die betaald werk hebben gemiddeld minder vaak gebruikmaken van geestelijke gezondheidszorg en ondersteuning vanuit de Wmo dan mensen zonder werk en een vergelijkbare beperking.
Moeilijker aan het werk
De mensen met werk komen ook minder vaak in aanraking met justitie. Werk blijkt daarnaast samen te hangen met meer structuur in het dagelijks leven en een groter sociaal netwerk.Het rapport laat ook zien dat de kansen op werk voor deze groep na de invoering van de Participatiewet zijn veranderd. Hoewel het beleid gericht is op meer arbeidsparticipatie, kwam een deel van de doelgroep echter moeilijker aan werk dan voorheen.
Meerdere vormen van waarde
Dit heeft gevolgen voor zowel de betrokkenen als voor gemeenten, die te maken krijgen met verschuivingen in uitgaven aan zorg en ondersteuning. De kern van het rapport is dat werk meerdere vormen van waarde heeft: economisch, sociaal en maatschappelijk. Door deze bredere effecten zichtbaar te maken, beogen SCP en CPB bij te dragen aan een completer beeld van de gevolgen van arbeidsmarktbeleid.
Waarom dit onderzoek?
Het onderzoek geeft inzicht in de gevolgen van ingrijpende veranderingen in het arbeidsmarkt- en sociaal beleid voor een kwetsbare groep. Met de invoering van de Participatiewet is de toegang tot beschut werk voor mensen met een arbeidsbeperking sterk veranderd, wat directe effecten heeft op hun positie op de arbeidsmarkt. Juist in een periode waarin beleid gericht is op activering en zelfredzaamheid, is het van belang om te begrijpen wat het ontbreken of hebben van werk betekent voor het dagelijks functioneren van deze groep mensen en voor het beroep op publieke voorzieningen.
Door niet alleen te kijken naar loon en uitkeringen, maar ook naar effecten op gezondheid, zorggebruik en sociale participatie, maakt dit onderzoek zichtbaar hoe werk samenhangt met uiteenlopende maatschappelijke kosten en baten. Deze kennis is relevant voor beleidsmakers, gemeenten en uitvoeringsorganisaties die keuzes maken over arbeidsmarktinstrumenten, begeleiding en ondersteuning, omdat zij daarmee indirect invloed uitoefenen op meerdere beleidsterreinen tegelijk.
Het onderzoek is uitgevoerd door het SCP en het CPB, en maakt gebruik van kwantitatieve analyses van grootschalige registratiedata. De invoering van de Participatiewet fungeert daarbij als een experiment, waarbij groepen mensen met vergelijkbare kenmerken maar verschillende toegang tot werk met elkaar worden vergeleken. Door gegevens over arbeid, zorggebruik en justitiële contacten te combineren, konden de onderzoekers verbanden leggen tussen het hebben van werk en diverse maatschappelijke uitkomsten.
Auteurs
Klarita Sadiraj, Maroesjka Versantvoort, Remco van Eijkel (CPB) en Sander Gerritsen (CPB)
