Maatschappelijke organisaties voelen zich doorgaans uitgenodigd om de ervaringen en behoeften van hun achterban te delen met de overheid. Tegelijkertijd ervaren veel organisaties beperkt de ruimte om ook hun signalerende en agenderende rol te vervullen. Daardoor bestaat het risico dat belangrijke signalen uit de samenleving onvoldoende worden meegenomen in beleid en wetgeving. Dat blijkt uit de nieuwe SCP-synthese De ruimte voor het maatschappelijk middenveld, die gelijktijdig verschijnt met twee onderliggende deelrapporten.

Maatschappelijke organisaties herkennen dat de overheid afgelopen jaren op verschillende terreinen meer aandacht heeft voor hun kennis. Tegelijkertijd geven veel organisaties aan dat fundamentele kritiek op beleid of wetgeving minder gemakkelijk een plek krijgt in beleidsprocessen. Zij ervaren dat vooral uitvoeringsgerichte kennis wordt gevraagd, terwijl signalen over structurele knelpunten of onderliggende aannames in beleid minder aandacht krijgen.

Ook ervaren niet alle maatschappelijke organisaties dezelfde toegang en mogelijkheden om hun kennis en zorgen onder de aandacht te brengen bij de overheid. Sommige organisaties beschikken over langdurige netwerken en vaste overlegstructuren, terwijl andere organisaties aangeven dat zij minder gemakkelijk worden betrokken of vaker worden bevraagd op hun representativiteit.

Twee beleidscasussen

De synthese is gebaseerd op twee beleidscasussen: de herziening van de Participatiewet en het wetsvoorstel Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo).

De twee casussen laten zien dat maatschappelijke organisaties weliswaar worden betrokken bij beleid en wetgeving, maar dat niet alle organisaties en perspectieven dezelfde toegang hebben. Ook ervaren organisaties verschillen in de ruimte die zij krijgen voor hun signalerende en agenderende rol.
 

Waarom dit onderzoek?

Auteurs

De Participatiewet en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld
Leonard van ’t Hul, Sarah Hardus en Dirk Postma

De Wtmo en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld
Leonard van ’t Hul, Fouzia Outmany, Henrike Hoogenraad en Maria Vliek
 

Download het onderzoek