Armoede neemt weer toe in Nederland – ook onder werkenden. Willen we welvaart en sociale cohesie behouden, dan moet een nieuw kabinet inzetten op sociale investeringen, schrijft SCP-directeur Karen van Oudenhoven.
In de huidige kabinetsformatie gaat het veel over het verdienvermogen van Nederland, een duurzame economie en onze veiligheid. Investeringen op deze thema’s betekenen al snel offers op terreinen als zorg en sociale zekerheid, zo bleek ook uit het eindverslag van informateur Buma.
Dat betekent een risico voor de sociale weerbaarheid van onze samenleving. Willen we onze welvaart in de toekomst behouden, dan kunnen we niet om de vraag heen hoe we omgaan met sociale thema’s als structurele ongelijkheid en armoede.
De armoedecijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige maand publiceerde zijn in dat verband een wake-upcall. Na vijf jaar van daling stijgt de armoede weer. Opvallend is bovendien dat zich onder de mensen die in armoede leven steeds meer werkenden bevinden.
Iemand is arm als in het huishouden, na betaling van de vaste lasten voor bijvoorbeeld wonen en energie, te weinig inkomen en bezit overblijven voor andere basisbehoeften zoals eten, kleding en sociale activiteiten. Kennelijk is het hebben van een baan geen garantie om je financieel te kunnen redden. Dat is opmerkelijk in een rijk land als Nederland. En het is niet zonder consequenties.
Structurele ongelijkheid
Allereerst heeft het natuurlijk gevolgen voor de mensen zelf die in armoede leven. Uit onderzoek blijkt dat arme mensen gemiddeld acht tot twaalf jaar korter leven dan rijke mensen. Voortdurende zorgen over hoe rond te komen geven stress. Kinderen in armoede maken vier keer zo vaak traumatiserende jeugdervaringen zoals misbruik, huiselijk geweld en emotionele verwaarlozing mee, dan andere kinderen. Bovendien is er sprake van overdracht van armoede op volgende generaties.
Terwijl opeenvolgende kabinetten aangaven naar meer kansengelijkheid te streven, is in ons land nog steeds sprake van structurele ongelijkheid. Ondanks verschillende maatregelen worden gezondheidsverschillen niet minder, en ook het onderwijs slaagt er maar beperkt in ongelijkheden te verminderen.
Armoede heeft echter niet alleen consequenties voor de gezinnen die het betreft. Het vormt in economisch en sociaal opzicht ook een bedreiging voor de samenleving. Mensen die onvoldoende inkomen hebben zijn aangewezen op socialezekerheidsvoorzieningen. Dat kost de samenleving veel geld. Hetzelfde geldt voor de problemen die samenhangen met armoede. Zo heeft een kwart van de mensen in armoede problematische schulden.
Generatiearmoede
Minstens even belangrijk is dat armoede een bedreiging vormt voor de sociale samenhang in Nederland. Uit een nog te verschijnen publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau over sociale en culturele ontwikkelingen in ons land, blijkt dat mensen in de lage inkomensgroepen minder vertrouwen hebben in andere mensen. Zij wonen vaker in kwetsbare buurten waar sprake is van overlast en geweld, en kinderen uit arme gezinnen worden vaker gepest.
Onderzoek van Sanne Siete Visser, Arjan Edzes, Erik Merx en Sander van Lanen naar generatiearmoede in de Groninger en Drentse Veenkoloniën laat zien dat families in armoede zich gestigmatiseerd voelen en zich daardoor afsluiten van de gemeenschap. Dat sluit aan bij SCP-onderzoek waaruit blijkt dat de armste en de rijkste Nederlanders steeds minder contact met elkaar hebben. Mensen komen elkaar letterlijk minder tegen en dan geldt helaas vaak: onbekend maakt onbemind.
Mensen in een kwetsbare economische positie staan bovendien meer wantrouwend tegenover de overheid, waar zij juist vaker afhankelijk van zijn dan mensen in een minder kwetsbare positie. Gemeenten weten mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben niet altijd goed te bereiken. Daardoor kan een groep kwetsbare mensen meer in de problemen komen dan nodig is. Sommige mensen zijn zelfs zo wantrouwend dat ze zich afwenden van de overheid en hulp weigeren. Bijvoorbeeld omdat ze bang zijn dat ze een uitkering moeten terugbetalen of boetes opgelegd krijgen.
De vraag is daarom niet of armoede en structurele ongelijkheid een plek verdienen op de politieke agenda, maar hoe centráál die plek moet zijn. Natuurlijk zijn investeringen in economie, duurzaamheid en veiligheid nu noodzaak, maar zonder duidelijk sociaal beleid bestaat het risico dat de rekening onevenredig terechtkomt bij mensen die nu al weinig hebben.
Sociale inclusiviteit
Mario Draghi wees in zijn rapport uit 2024 over de toekomst van het Europese concurrentievermogen al op het belang van sociale inclusiviteit als voorwaarde voor economische groei. Een samenleving waarin groepen structureel achterblijven, ondergraaft op termijn haar eigen economische fundament.
Voor de formerende partijen D66, CDA en VVD ligt hier een duidelijke opdracht: te zorgen voor bestaanszekerheid voor iedereen. Dat vraagt om investeringen in armoedebestrijding, in kansengelijkheid in het onderwijs, en in zorg- en welzijnsorganisaties die mensen bereiken voordat problemen ontsporen. Economische én sociale belangen horen allebei thuis in de toekomstvisie van het volgende kabinet. Ze kunnen niet zonder elkaar.
Deze column van Karen van Oudenhoven verscheen op 26 januari 2026 op de website van het Financieel Dagblad.