De beoogde coalitie van D66, VVD en CDA wil meer samenwerken met lagere overheden en maatschappelijke organisaties. Om dit werkelijk te laten slagen moet de Haagse politiek minder sturend durven optreden, schrijft SCP-directeur Karen van Oudenhoven.

In de Zweedse film As it is in heaven (2004) keert een gerenommeerd dirigent terug naar het dorp waar hij ooit opgroeide. Daar krijgt hij de uitnodiging om het plaatselijke kerkkoor te dirigeren. Hij kiest ervoor de koorleden geen bestaand muziekstuk te laten uitvoeren, maar een stuk te componeren op basis van de unieke stemmen van de leden van het koor. Deze manier van samenwerken leidt in eerste instantie tot veel spanning in het dorp, maar uiteindelijk tot onderlinge verbinding in het koor en een mooi resultaat waar iedereen achter staat. 

Beeld: © ANP

Focus op samenwerking

In het coalitieakkoord ‘Aan de slag’ dat D66, VVD en CDA eind januari presenteerden, neemt samenwerking van de Haagse politiek met lagere overheden en maatschappelijke organisaties een prominente plaats in. Als beleid meer draagkracht vindt in de samenleving, krijgt dat sneller steun in het parlement, is de gedachte. 

Met een minderheidskabinet is die steun hard nodig. Maar de ambitie van de coalitiepartners gaat verder dan dat: samenwerken vanuit vertrouwen en transparantie wordt gezien als voorwaarde voor een goed functionerende overheid. En dat is mooi, want die samenwerking stond de afgelopen jaren onder druk. 

Denk aan decentrale overheden die het gevoel hadden steeds meer taken te krijgen vanuit Den Haag, zonder dekkende financiering, zoals de jeugdzorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en arbeidsparticipatie. Denk ook aan wetsvoorstellen van de overheid om het demonstratierecht van maatschappelijke organisaties te beperken, zoals blijkt uit de ‘Jaarrapportage 2024-2025’ van het College voor de Rechten van de Mens. Inperking van hun positie kan de rol van maatschappelijke organisaties als belangrijke tegenmacht in de samenleving en als verbinding tussen burgers en overheid serieus in de weg staan. 

Het valt te prijzen dat de coalitie zo zwaar inzet op samenwerking. De nationale overheid krijgt haar publieke taak niet voor elkaar zonder hulp van decentrale (mede-)overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Die samenwerking is niet alleen noodzakelijk voor wederzijds vertrouwen en een gevoel van wederkerigheid, maar ook om tot een betere kwaliteit van beleid en uitvoering te komen. Dat laatste is zeker belangrijk in een tijd van maatschappelijke uitdagingen en snelle verschuivingen op het wereldtoneel.

Betere samenwerking met sleutelspelers in de samenleving vraagt om een meer gelijkwaardig besluitvormingsproces, waarin ieders inbreng een serieuze plek krijgt en waarin signalen worden opgepakt als het ergens knelt. Dat vinden de coalitiepartners ook, getuige hun inzet op ‘cocreatie’, ‘ruimte voor professionele afwegingen’ en ‘snelle feedback en bijsturing’, zoals in het akkoord verwoord. 

Spanningsveld

Tegelijkertijd getuigt de tekst ook van een spanningsveld in de ruimte die de coalitie wil geven. Zo wil de coalitie aan de ene kant samenwerken met lagere overheden en maatschappelijke organisaties, maar aan de andere kant taken overhevelen en geld toekennen – dus juist sturend zijn. Een ander spanningsveld ligt in het enerzijds goede dingen willen bereiken voor mensen en anderzijds de focus willen houden op capaciteit en middelen, wat juist gelijkwaardige samenwerking in de weg kan staan. 

Gelijkwaardige samenwerking lukt alleen als je begint met een gesprek over wat je samen wilt bereiken. Door ieders perspectief op het vraagstuk te combineren lukt het scherp te krijgen welke uitdaging voorligt. Van daaruit kun je afspreken wat je nastreeft voor de samenleving. Maar als dat vertrekpunt uit beeld raakt, bepaalt het geld wie er gaat lopen en blijven andere aspecten van het probleem onderbelicht. 

Zo zie je de neiging van commerciële partijen in het sociaal domein om de lichtere hulpvragen als eerste te behandelen, omdat dit de grootste winst oplevert. Vanuit een samenlevingsperspectief zou je willen dat mensen met complexe multiproblematiek als eerste aan de beurt zijn. 

Uitvoering aan tafel

Om veilig te stellen dat te implementeren beleid uitvoerbaar is zet het akkoord in op ‘standaarduitvoeringstoetsen’. Ook hieruit spreekt een beheersmatige benadering in plaats van inzetten op leren van elkaars invalshoeken. Immers, als het perspectief van de uitvoering vanaf het begin aan tafel zit bij de ontwikkeling van beleid zouden die toetsen overbodig zijn. Afwegingen over uitvoerbaarheid worden dan door de betrokken uitvoerders al ingebracht in het ontwerpproces en, als het goed is, serieus meegenomen. 

Kortom: dat het kabinet-Jetten werk wil maken van samenwerking past goed in de ambitie om snel weer voortgang te boeken en veerkrachtig te reageren op wat er internationaal op Nederland afkomt. Mijn oproep is om, net als de dirigent in die Zweedse film, de aanpak van maatschappelijke opgaven niet meer van bovenaf te dirigeren, maar consequent ruimte te geven aan de unieke stemmen van lagere overheden en maatschappelijke organisaties. Zij kennen de samenleving vanuit verschillende invalshoeken en hebben samen de oplossing voor complexe vraagstukken. Alleen door die ruimte te geven en zelf een stapje terug te doen, ontstaan vertrouwen en wederkerigheid en wordt alle inbreng benut.

Over deze opiniebijdrage

Karen van Oudenhoven is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Zij is ook hoogleraar maatschappelijke veerkracht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Deze column van Karen van Oudenhoven verscheen op 12 februari 2026 op de website van het Financieel Dagblad.