Karen van Oudenhoven, Jet Bussemaker
De verhoren van de parlementaire enquêtecommissie corona gaan net als politiek Den Haag het zomerreces in. Het is goed dat de politiek terugkijkt op die periode, ook omdat er belangrijke lessen zijn te trekken voor toekomstige crisissituaties. Zijn we als samenleving in staat adequaat om te gaan met toenemende dreigingen, van bijvoorbeeld (digitale) oorlog, energieschaarste of overstromingen? In technische zin lijken we behoorlijk voorbereid op crisissituaties en de gevolgen daarvan voor onze infrastructuur en veiligheid. Maar waar het gaat om mens en maatschappij is die voorbereiding minder op orde. Een aantal lessen kunnen we nu al trekken.
Beeld: © ANP
De eerste is dat maatschappelijke effecten, naast technische, medische of logistieke overwegingen integraal meegewogen moeten worden. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid stelde in haar evaluatie van de corona-aanpak al dat maatschappelijke effecten - zeker in de begintijd - weinig aandacht kregen. Als ze al aandacht kregen raakten ze vaak ondergesneeuwd, omdat acute problemen zoals druk op de IC-capaciteit prioriteit kregen.
Sociale gevolgen voor mensen worden meestal pas geleidelijk voelbaar. Sommigen zijn relatief eenvoudig waar te nemen, zoals een toename van huiselijk geweld in de coronaperiode en protesten en rellen uit verzet tegen overheidsmaatregelen. Maar de meeste gevolgen zijn sluimender, zoals de toenemende mentale druk onder jongeren.
Die gevolgen zijn bovendien minder lineair naar besluiten te vertalen dan gezondheidsuitkomsten of economische gevolgen. Tijdens corona waren belangrijke gezondheidsindicatoren het aantal ziekenhuisopnames in verhouding tot IC-capaciteit en de R-waarde. Ook economische indicatoren zoals welvaartsgroei en werkloosheidscijfers zijn gemakkelijker te vertalen naar beleidsdoelen. Voor een sociale indicator als sociale samenhang is dat veel lastiger. Hier geldt niet hoe hoger hoe beter. Bovendien is het lastiger een grenswaarde te bepalen waaronder of -boven de sociale samenhang problematisch is.
Dat maakt sociale indicatoren niet minder wezenlijk. Een gebrek aan sociale samenhang wordt meetbaar als zij zich vertaalt in een toename van zelfmoorden of van gewelddadige conflicten. Die uitkomsten zijn slecht voor de samenleving en wil je dus voor zijn. Het is cruciaal een serieuze plek te creëren voor deze zachtere, sociale indicatoren, ook al hebben zij hun eigen kenmerken en dynamiek.
De sociale wetenschappen bieden voldoende kennis en methoden om dat te doen. Die methoden geven bijvoorbeeld inzicht hoe een crisis kan leiden tot problematische ontwikkeling op een indicator, en in de mate waarin crisismaatregelen deze ontwikkeling kunnen mitigeren of juist negatief beïnvloeden. We weten wat thuisonderwijs doet voor de ontwikkeling van kinderen of wat het isoleren van bewoners in verpleeghuizen doet met hun welbevinden en dat van hun naasten. Gebruik die kennis actief bij het maken van keuzes.
Een tweede les uit de coronatijd is dat er veel kracht schuilt in de samenleving. Mensen bleken bereid voor elkaar te zorgen en wilden zich inzetten voor de samenleving, individueel of georganiseerd in burgerinitiatief. Sociale samenhang bleek een dempende factor voor eenzaamheid en verveling. Er werden creatieve alternatieven bedacht: van buitenlessen, boodschappen-estafettes tot online concerten. Helaas liepen veel initiatieven stuk op regels en bureaucratie.
Bij volgende crisissituaties is het zaak om bestaande onderlinge samenhang en maatschappelijke creativiteit juist te gebruiken. Beperk beleid niet tot individuele thuisvoorraden van zaklampen en water of voorgeschreven verzamelplekken, maar vraag bestaande buurt-initiatieven, zorg- en energiecoöperaties wat zij kunnen doen. Dat geeft mensen ruimte om hun medemenselijkheid en creativiteit in te zetten voor de samenleving. Met een overheid die dat faciliteert in plaats van afremt.
Les drie is dat een crisis van iedereen veel vraagt, maar dat de pijn niet gelijk verdeeld zal zijn. Dus moeten we niet alleen, zoals bij corona, kijken naar grove compensatiemaatregelen, zoals voor bedrijven, maar meer naar groepen waar problemen optellen. Bij burgers die nu al nauwelijks de eindjes aan elkaar kunnen knopen of weinig sociale manoeuvreerruimte hebben komen beperkingen harder aan. Zoals de gevolgen van een schoolsluiting voor klein behuisde gezinnen.
Tenslotte les vier: verdiep je in kritische geluiden, en blijf de dialoog voeren. Het wegzetten van mensen als ‘wappies’, versterkte eerder het wantrouwen tegenover de overheid, dan dat een brug werd geslagen. Echt luisteren naar elkaar is lastig als opvattingen sterk uiteenlopen, maar des te meer noodzakelijk om te voorkomen dat polarisatie gevoed wordt in moeilijke tijden.
Kortom: neem sociale indicatoren serieus als basis voor crisisbeleid. Neem ze op in afwegingsmodellen en stuur erop. Ook al zijn ze lastiger te interpreteren en gelden de gevolgen pas op langere termijn. Benut de kracht die al in de samenleving zit en houdt rekening met sociale ongelijkheid. Wacht daar niet mee tot de crisis uitbreekt. Maak sociale risico’s onderdeel van crisisplannen en betrek burgers uit verschillende groepen in de samenleving bij het bedenken en uitvoeren ervan. Kijk naar goede voorbeelden zoals de Rotterdamse wijk Bloemhof. En tot slot: blijf met iedereen in gesprek, ook met mensen die kritisch zijn en niet meedoen in sociaal initiatief. Tezamen kan zo’n aanpak bijdragen aan maatschappelijke veerkracht die zo broodnodig is in crisistijd.
Over deze opiniebijdrage
Karen van Oudenhoven is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en hoogleraar maatschappelijke veerkracht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Jet Bussemaker is Voorzitter Raad voor Volksgezondheid & Samenleving; Hoogleraar Wetenschap, beleid en maatschappelijke impact (LUMC).