Wetenschappelijke integriteit

Wetenschappelijke integriteit is essentieel voor het functioneren van het SCP. Daarom zijn we aangesloten bij het Landelijke Orgaan Wetenschappelijke Integriteit en houden we ons aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit.

Onderdeel daarvan is dat er bij vermeende schendingen over wetenschappelijke integriteit van SCP-onderzoek een klacht kan worden ingediend. Klachten over vermeende schendingen van wetenschappelijke integriteit kunnen met behulp van dit formulier worden ingediend. In de Klachtenregeling Wetenschappelijke Integriteit is beschreven hoe het SCP omgaat met dit soort klachten. Zo onderzoekt de Commissie Wetenschappelijke Integriteit deze klachten als ze aan de minimale criteria voldoen, en beoordeelt ze of de wetenschappelijke integriteit is geschonden. Op verzoek van het SCP kan de Commissie ook een onderzoek verrichten en daarover advies uitbrengen zonder dat er een klacht is ingediend.

Aanpalende richtlijnen ter bevordering van wetenschappelijke integriteit

Onderscheid naar migratieachtergrond: werkwijze SCP

In navolging van het WRR advies van juni 2021 (Bovens et al. 2021) hanteren verschillende onderzoeks- en beleidsinstellingen, zoals het CBS en het ministerie van Sociale Zaken, niet langer de categorieën ‘westers’ en ‘niet-westers’ om onderscheid te maken naar herkomst van mensen met een migratieachtergrond. Dit onderscheid is wetenschappelijk niet onderbouwd, weinig informatief en roept negatieve associaties op. Ook het SCP heeft besloten burgers met een migratieachtergrond niet langer onder te brengen in clusters van westerse of niet-westerse herkomstlanden.

Daarvoor komt ook geen alternatieve standaardclustering in de plaats. Het idee is dat een beter beredeneerd, explicieter, zorgvuldiger en gevoeliger afwegingskader nodig is bij al het onderzoek naar en onder mensen in een minderheidspositie, waarbij we minderheidspositie in brede- niet numerieke- zin bedoelen: mensen die omwille van kenmerken als migratie, culturele, etnische, raciale en/of religieuze achtergrond, seksuele oriëntatie, gender, ziekte, leeftijd, een beperking, laaggeletterdheid, een lage sociaaleconomische status of een combinatie van kenmerken minder mogelijkheden hebben of anders bejegend worden in de maatschappij. Hieronder vatten we de nieuwe werkwijze met betrekking tot het onderscheid maken naar en spreken over herkomst samen in enkele richtlijnen.

Richtlijnen

  • In ons onderzoek, rapporten en overige communicatie spreken we over personen of burgers met een migratie- of Nederlandse achtergrond.
  • Meestal zullen we de personen met een migratieachtergrond verder onderscheiden naar herkomst, daarbij volgen we de indeling van het CBS.
  • Is het zinvol of nodig op basis van relevante, gedeelde kenmerken een clustering van herkomstlanden te maken, dan verkiezen we een meervoudige indeling, die geen rangschikking inhoudt; bijvoorbeeld het onderscheid tussen Nederlanders, EU-burgers en niet-EU-burgers, een onderscheid naar migratiemotief of een geografische clustering.
  • De gebruikte categorisering en labeling volgen logisch vanuit de onderzoeksvraag (informatieve eisen) en houdt rekening met het wel of niet onbewust bijdragen aan de instandhouding van een vooroordeel (performatieve eisen).

Terughoudendheid en zorgvuldigheid

We zijn terughoudend bij het maken van onderscheid naar herkomst en verantwoorden waarom we gegevens over de herkomst van respondenten opnemen in ons onderzoek. Ook gaan we zo zorgvuldig, precies en sensitief mogelijk te werk wanneer we mensen onderscheiden naar migratieachtergrond of herkomst: in het formuleren van onderzoeksvragen, in het operationaliseren van variabelen en categorieën en in het rapporteren en spreken over etnisch, cultureel, religieus en raciaal verschil, en in het vertalen van onderzoeksresultaten naar beleid en handelingsperspectieven.