De discussie over bestaansonzekerheid richt zich vaak op inkomen, maar bestaansonzekerheid is veel meer dan een gebrek aan geld. In het rapport ‘Bestaansonzekerheid vanuit de beleving van mensen’, dat vandaag verschijnt, staat de leefwereld van mensen centraal: wat betekent het om in bestaansonzekerheid te leven? En hoe kan de overheid hier concreet beleid op maken? De belangrijkste bevindingen op een rij.

Beeld: Kansfonds | Linelle Deunk
De problematische ander
Mensen in bestaansonzekerheid komen vaak via hun problemen in beeld bij de overheid: schulden, psychische problemen of als inwoner van een “probleemwijk”. (Wijk)stigmatisering en veroordeling versterken het gevoel “de problematische ander” te zijn. Daardoor ontstaat schaamte, onzekerheid en isolatie. Maatschappelijke oorzaken van bestaansonzekerheid blijven in beleid en in de maatschappij vaak onderbelicht, waardoor problemen, zoals het hebben van problematische schulden, worden toegeschreven aan foute keuzes.
Mensen willen wel meedoen – maar niet altijd zoals beleid het definieert
Veel mensen in bestaansonzekerheid proberen actief mee te doen. Voor hen betekent dat: ergens bij horen en op eigen manier kunnen bijdragen. Maar plekken waar mensen ook op meer informele wijze mee kunnen doen en bij kunnen dragen, zoals buurthuizen, ontbreken vaak of worden niet structureel gefinancierd. Mensen missen daardoor een gevoel van eigenaarschap en dat ze mee kunnen doen op hun eigen manier.
Taal als belangrijke sleutel tot zowel materiële als immateriële zekerheid
Taal bepaalt of mensen netwerken kunnen opbouwen, hulp kunnen krijgen en werk kunnen vinden. Dan gaat het niet alleen over de beheersing van de Nederlandse taal. De manier waarop instituties taal gebruiken, werpt vaak barrières op zoals moeilijke formulieren of digitale drempels. Wanneer taal een belemmering vormt, vergroot dat het risico op fouten en de angst om ze te maken.
Het gevoel hebben te worden opgevangen
Mensen willen erop vertrouwen dat iemand hen opvangt als het misgaat. Dit kan de overheid zijn, maar ook familie of maatschappelijke organisaties. Enerzijds kan een beperkt vertrouwen in instituties leiden tot chronische stress en verdere escalatie van problemen. Anderzijds geeft het vertrouwen als de overheid, bijvoorbeeld in de schuldhulpverlening, aansluit bij iemands’ leefwereld. Ook sociale steun en gemeenschappen zoals in buurthuizen kunnen waardevolle vangnetten zijn.
Drie denkrichtingen voor beleid
Mede gebaseerd op deze bevindingen werkte het SCP drie beleidsopties uit die helpen sturen op de sociale en immateriële kanten van bestaanszekerheid. De eerste optie is het ‘Meedoen op maat’-programma waarbinnen gemeenschappen en ontmoetingsplekken structureel ondersteund worden en inwoners zeggenschap krijgen over welke vormen van meedoen zij belangrijk vinden. Ten tweede pleit het SCP voor de buurtverbinder. Buurtverbinders ondersteunen inwoners direct, maar versterken tegelijkertijd de sociale vangnetten. Zij kunnen knelpunten in de leefomgeving vroegtijdig signaleren en de overheid hierop wijzen. Tot slot is het belangrijk dat ambtenaren kennis maken met de dagelijkse werkelijkheid van bestaansonzekerheid, bijvoorbeeld in de context van mensen met schulden-, taal- of psychische problematiek.
Deze voorstellen vragen om beleid vanuit vertrouwen, met aandacht voor wat mensen willen, kunnen en nodig hebben. Het SCP benadrukt dat bestaanszekerheid mede wordt gevormd door maatschappelijke normen en beleidskeuzes – en dat er juist op die context goed kan worden gestuurd.
Perscontact
Ben je journalist en heb je vragen naar aanleiding van dit nieuwsbericht? Neem dan contact op met onze persvoorlichter.