Toen rond 2015 grote aantallen statushouders in Nederland kwamen wonen, ontstonden op landelijk en lokaal niveau verschillende initiatieven om het integratieproces van deze nieuwkomers te bevorderen. In een aantal publicaties blikken we terug op de ontwikkelingen in het beleid. Op welke manier heeft het gevoel van urgentie van toen vorm gekregen in beleid?
Nederland kreeg rond 2015 te maken met grote aantallen asielzoekers uit onder meer Syrië en Eritrea. Er waren grote problemen om hen op te vangen en, na de asielprocedure, te huisvesten en zorg te dragen voor hun integratie. Op basis van een analyse van de integratie van eerdere vluchtelingengroepen en het destijds gevoerde beleid, pleitte de policy brief van 2015 ervoor om:
-
vroegtijdig te investeren in de Nederlandse taalbeheersing en participatie van vluchtelingen, bij voorkeur al in de opvang;
-
de periode in de opvang te verkorten en mensen sneller te huisvesten;
-
gemeenten weer een regierol te geven in het inburgeringsbeleid en vaker gebruik te maken van een aanpak die leren (taal en/of opleiding) en werken combineert.
Het motto toen: ‘geen tijd verliezen’. Het integratieproces van vluchtelingen die in de jaren negentig naar Nederland waren gekomen, verliep namelijk niet zonder problemen. Dit zagen we bijvoorbeeld in de arbeidsparticipatie die langzaam op gang op kwam. In een aantal publicaties kijken we terug op de beleidsontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan.
Waarom dit onderzoek?
De nieuwe inburgeringswet ging per januari 2022 in en moest veel van de knelpunten in het huidige inburgeringsbeleid wegnemen. Of de hoge verwachtingen van de nieuwe wet ingelost kunnen worden, hangt af van een voortvarende uitvoering van het nieuwe beleid. Omdat gemeenten een regierol hebben in de uitvoering van de nieuwe wet, wijst het SCP er op basis van eerder onderzoek op dat decentralisaties (zoals de WMO) niet altijd opleverden waarop werd gehoopt.
Een meer intensief beleid en een eerdere start gericht op participatie zouden de integratie moeten bevorderen van de nieuwe groep statushouders die zich rond 2015 en daarna in Nederland vestigde. Naast een effectieve uitvoering van het nieuwe inburgeringsbeleid moet de overheid inzetten op een kort en actief opvangbeleid, tijdige signalering van gezondheidsproblemen en toegankelijk onderwijs voor een goede integratie van statushouders. Bij het nieuwe inburgeringsbeleid is het belangrijk dat de overheid en gemeenten alert zijn op hoe de uitvoering verloopt en welke bijstellingen nodig zijn.
Deze onderzoeken zijn onderdeel van een meerjarig onderzoeksprogramma naar de positie en leefsituatie van statushouders die zich sinds 2014 in Nederland vestigden. Via kwantitatief en kwalitatief onderzoek is het integratieproces gevolgd en is meer inzicht ontstaan in welke factoren hierop van invloed zijn.
In samenwerking met
Voor deze onderzoeken werkten we samen met het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Auteurs
Jaco Dagevos, Djamila Schans, Ellen Uiters, Willem Huijnk, Maja Djundeva, Annemarie Ruijsbroek, Martine de Mooij, Floris Vermeulen, Ilse van Liempt, Richard Staring
