Dit rapport biedt de resultaten van onderzoek naar hoe de bijstand in de praktijk uitwerkt voor mensen die (nog) niet in staat zijn om betaald werk te verrichten. De Participatiewet is sterk gericht op uitstroom naar werk, maar voor een grote groep bijstandsgerechtigden is dat geen realistisch perspectief. Zij kunnen bijvoorbeeld door gezondheidsproblemen, psychische klachten of een opeenstapeling van andere problemen niet aan het werk. Voor hen draait passende ondersteuning daarom minder om werk en meer om stabiliteit, begeleiding en kwaliteit van leven.
Uit gesprekken met bijstandsgerechtigden, klantmanagers en beleidsmedewerkers blijkt dat de huidige uitvoering vaak te weinig ruimte biedt voor maatwerk. Regels en verplichtingen staan centraal, terwijl de persoonlijke situatie van mensen onvoldoende wordt meegewogen. Dit leidt tot spanningen in de relatie tussen professionals en cliënten, en tot een gebrek aan wederzijds vertrouwen. Bijstandsgerechtigden voelen zich gecontroleerd en gewantrouwd, terwijl professionals aangeven dat zij zich door wet- en regelgeving beperkt voelen in hun mogelijkheden.
Meer vertrouwen, minder controle
Het SCP doet daarom drie samenhangende aanbevelingen. Ten eerste pleit het bureau voor meer vertrouwen en minder nadruk op controle, zodat professionals ruimte krijgen om ondersteuning beter af te stemmen op wat iemand nodig heeft. De tweede aanbeveling is om kwaliteit van leven en stabiliteit expliciet als doelen van de bijstand te erkennen, naast (of in plaats van) betaald werk. Voor sommige mensen is behoud van gezondheid, rust en sociale samenhang realistischer en waardevoller dan uitstroom naar werk. Tot slot pleit het SCP voor meer maatwerk en professionele ruimte, zodat gemeenten en klantmanagers beter kunnen inspelen op complexe situaties.
Waarom dit onderzoek?
Auteurs
Patricia van Echtelt, Evelien Eggink, Peggy Schyns, Khadija Kadrouch-Outmany en Sabrina Dinmohamed
